Lelystad is een lelijke stad. Alles is er even oud, het stratenpatroon is rechtsreeks uit de computer van een automobiel-gek met een obsessieve voorliefde voor rotondes komen rollen, de flats zijn van goedkoop beton waar teveel zand inzit, het arbeidsaanbod en het uitgaansleven zijn minimaal (wist U dat er in Lelystad zelfs geen coffeeshops zijn?—des te meer huisdealers) en de supermarkten zijn alle van de duurste keten. Door dat alles heen waait een onstuitbare Zuiderzeewind. Nog altijd ja. De provincie krijgt zelfs enige honderden miljoenen guldens subsidie uit een Europees fonds voor onderontwikkelde gebieden.
Een aanzienlijk deel van dat geld is voor de Batavia-werf van Willem Vos. Al meer dan tien jaar is hij aan de Oostvaardersdijk in de weer met nationale culturele navelstaarderij. De Batavia heeft haar maiden voyage gehad bij Sail vorig jaar; de koningin doopte haar op 7 april met water uit de Indische Oceaan. Maar de kielbalk van het volgende project ligt al: drie enorme gekantrechte eiken bomen, verbonden door meterslange schuine lassen, zijn het begin van het oorlogsschip De Zeven Provinciën. Tot mei (wanneer het touristenseizoen weer van start gaat) is men bezig met de nieuwbouw van een restaurant en een ontvangstruimte voor de bezoekers. Maar dan komen de spanten en de huid, het dek, de masten, de touwen...
Alles aan een 17e-eeuws schip is superlatief. In de Batavia zit bruto 1800 kuub eiken (netto iets minder dan de helft); de spijkers en bouten (een van de weinige dingen die niet op de werf gemaakt zijn) wegen bij elkaar 10 ton. In de 17e eeuw waren er de grote houtmarkten van Deventer en Dordrecht, nu ging Willem zelf naar de bossen van Denemarken, waar het beste eiken van Europa groeit, om de sommers (rechte delen), krommers en kniestukken (waar stam en tak samenkomen) uit te zoeken. En waar bij aankomst bleek dat een maat een beetje afweek, kon meestal het bestek wel worden aangepast—net als in de 17e eeuw.
Bouwen op het oog, dat is ambacht. Op de werven van de V.O.C. (wat nu het oostelijk havengebied heet) waren er ook alleen schetsen. Alles zat in de hoofden van de bouwmeesters, niet alleen vanwege het gevaar van diefstal van bedrijfsgeheimen, maar ook omdat het werkelijk niet uitmaakt of iets nou één of twee duim dunner of breder is dan de vorige keer. Ze bouwden een Oostindiëvaarder in zes, zeven maanden met evenveel mensen als er nu op de werf in Lelystad rondlopen, amper honderd man (natuurlijk maakten ze wel iets langere dagen, van 5 tot 7, 's winters iets korter). Nu zijn er motorkettingzagen waar men destijds de trekzaag had, maar het blijft hand- en oogwerk: machineslag van de elektrische schaaf zou toch storend zijn op een traptrede naar de kapiteinshut. Nu zijn er hoogwerkers waar vroeger aparte steigers getimmerd moesten worden. Nu bouwt men het schip volledig op de wal (omdat de ruimte er is, maar ook voor de bezoekers) terwijl men vroeger zo snel mogelijk, dat is na een maandje of twee als de huid (met een grenen dubbellaag; dan rot het eiken niet) er helemaal op zit, het water in ging om plaats te maken voor een nieuwe boot. Willem weet vrij precies hoe het eertijds in zijn werk ging, hoewel de boeken van Nicolaas Witsen (burgemeester van Amsterdam en VOC-bobo) en Cornelis van Yk (geletterd ambachtsman) niet alles vertellen. Maar met wat gezond verstand en verbeelding kom je een heel eind. Willem zegt: "Het is wel leuk dat sommige constructiedetails waar wij voor gekozen hebben, door later onderzoek van het originele wrak bevestigd zijn. Maar het historisch onderzoek staat ten dienste van de ambachtsman, niet andersom."
De Heeren Zeeventien van de V.O.C. hebben de hoofdmaten van de Batavia gesteld op 160 voet lang, 36 voet wijd, 12 voet hol. Genoeg om aan de slag te gaan voor een een scheepsbouwer anno 1628. "Wat wij maken is dan ook niet een kopie, geen replica, maar een reconstructie. De hekbalk is niet zomaar een stuk eiken gekantrecht op 18 bij 18 duim, het is de verbinding tussen het achtersteven en de spiegel, en wordt als zodanig in vorm gebracht.
"Ik denk dat de 17e-eeuwse scheepsbouwers deze Batavia wel mooi zouden vinden. Daar ben ik van overtuigd. Ze zouden best wel 'ns zeggen 'nou Willem, die bij die spil, dat had anders gemoeten' maar daar ben ik dan inmiddels zelf ook achter. Er zijn erg weinig dingen waarvan ik nu denk dat dat echt niet had gekund, want ik bereid alles gigantisch voor. Daarom raak ik ook zo gestresst van die nieuwbouw, maar dat heeft met bureaucratie te maken. Alles blijft hier heel speels en vanzelfsprekend. Dat kan pas als je het helemaal beheerst en goed organiseert. Er hangt wel een grote romantiek om de werf heen, maar die wordt gemaakt door buitenstaanders, dat proberen wij dus niet te doen.
"Maar het is hier wel leuk—vind ik. Ik geloof wel in hard werken; het is het verlengde van de hutten die je als kind bouwt. Toen ik kind was, heb ik buitengewoon heerlijk gespeeld in de zandbak, en me voorgenomen om dat altijd zo te blijven doen, het een beetje speels op te vatten.
"Ik ben opgegroeid tussen boeren, vissers en turfstekers (vooroorlogs Amsterdam Noord) en die hadden de mooiste bootjes. Die oude pramen, jollen en schouwen, prachtig. Alles rook er zo lekker aan, vooral als het net geregend had. Dat maakt je als kind zó gelukkig. Na de ambachtsschool kwam ik in een wereld waar het tijdperk van de houten boten eigenlijk voorbij was. Alles werd van ijzer en kunststof. Dan kon je af en toe een metalen boot aftimmeren, of een stukje vernieuwen aan een oude jol. Dat was een enorme teleurstelling. Potdorie, dacht ik, ik ben honderd jaar te laat geboren.
"Als je tegenwoordig zegt dat Rietveld toch wel beetje een neuroot was, word je pardoes tegen de wand gespijkerd. Met z'n Stijl-groep ofzo, ik word daar een beetje flauw van. Ik kan het gewoon niet zo mooi vinden. En je ziet toch steeds iedereen naar het ambachtelijke trekken. Cees Dam woont ook in een antiek grachtenpand. Misschien is de ouderdom ervan aantrekkelijk, maar ik denk ook de manier waarop men met het materiaal omging.
"Als ik over de Hiswa loop, word ik erg verdrietig. Alles moet glimmen, want dat is waar de mensen die het kunnen betalen, het voor kopen, niet om ermee te varen. Zo'n epoxyijzeren ding is misschien net zo duur als een nieuw gemaakte geteerde houten schuit, maar je veroordeelt jezelf tot een gigantische klus aan onderhoud. Ik moest als jongen een stuk teakbout oppoetsen tot de baas zei dat het op plastic leek. Dan werd het gelakt en was de natuur zo ver uitgebannen dat je er beroerd van wordt. Het mooie hier op de werf is dat je het ontwerp en het hout naar elkaar toe laat komen. Waarom zouden de balken in een plafond gekantrecht moeten worden op een plek waar de messing en groef toch niet belangrijk zijn? Onnodig extra werk.
"Ik wilde jollenmaker worden. Mijn moeder zei 'joh, die tijd is geweest', maar ik was jong en wilde haar geen gelijk geven. In de 60'er jaren was er een opleving, een nieuwe belangstelling voor houten schepen. Ik heb toen meteen een splinternieuwe botter gebouwd. Maar het viel niet goed: het had een oude moeten zijn. Ik heb altijd dingen gemaakt die niemand wilde hebben. Iedereen zei 'Willem, je hebt een paar gouwe hande' maar ik heb in mijn leven één keer een botter verkocht.
"En ergens in de jaren '70 zei een goede kennis op een keer: 'Joh, je moet stoppen met die scheepsmakerij. Je kunt er nog zoveel liefde en management in steken, maar het komt er nooit meer uit. Jouw vak is een bezienswaardigheid geworden.' Bingo, dacht ik."
Dat was niets teveel gezegd. Inmiddels sponsort woningbouwcorporatie Lelystad de officiershutten, en Hoogovens verzorgt het geschut (60 gietijzeren en bronzen kanonnen die echt kunnen schieten, de kogels gaan tot 12 kilo). En vanaf het begin was er ook het idee van scholing. Stage is mogelijk, maar de voorkeur gaat uit naar langdurig werkloze jongeren. Wij zeggen: "Echt een superslim plan, die combinatie met onderwijs." en Willem glimlacht zachtjes: "Ik vind het leuk om met mensen te werken die nog een beetje blanco zijn, en vragen durven te stellen. Ik was bang dat er allemaal van die vakmensen zouden komen die het schip zouden verruïneren. Mensen die heel lang in het vak zitten, en bijvoorbeeld als ze iets schaven, het nèt even gladder maken dan nodig. Ik heb wel scholen gezien waar ze begonnen met te vertellen hoe moeilijk het allemaal is, maar ik stel nieuwkomers eerst zoveel mogelijk gerust.
Er zijn wel leerplannen en theoriëen geweest, maar dat werkt niet. Nu noemen we het 'leren in de context', dus gewoon situatie-onderwijs. Wie timmert met zijn ogen, doet het zonder theorie. Zodra je je duimstok uit je achterzak haalt en iets opmeet, heb je het in feite over theorie. Er is door alle subsidie- en uitkeringsgelden wel een bepaalde pressie. Nu hoop ik nog een jaar of acht, tot mijn pensioen, die druk voor me uit te schuiven, en dan zoeken ze het maar uit met hun theorie. (Dan ga ik fijn in een schuurtje jollen maken, en interesseert het me niet of ze verkocht worden. Die kan je bouwen van 6, 10 tot 4, 30 meter; mooi in elkaar stapelen ofzo.) Er is geen theorie! Het probleem van de huidige tijd is dat overal theorie achter wordt gestopt, alleen maar ballast. Terwijl de kunst is om met een minimum aan lijnen en potloodstrepen een kozijn in elkaar te zetten.
Om het vak te leren moetje vooral een beetje logisch kunnen nadenken, de vaardigheden kan bijna iedereen leren. Ik wil dat mensen zelf nadenken. In het technisch onderwijs wordt mensen geleerd om knechten te zijn, en dan gaan ze zich ook als knechten gedragen. Aan mensen die leiding moeten geven, wordt geleerd om leiding te geven aan knechten. Dat heb ik altijd willen doorbreken.
De Zeven Provinciën wordt al op een andere manier gebouwd dan de Batavia: minder door mijzelf en meer door de negen ploegleiders (te vergelijken met de meesterknechten u de 17e eeuw) en de 60 á 70 'schoolgaanden'. Dat is ook in het belang van de werf."
Scholingscoördinator Joost Boot zegt hierover: "De scholing hier valt uiteen in een vaktechnisch en een mentaliteitsaspect. Dat kan natuurlijk door middel van theorie, maar in onze ogen gaat het het snelst in de praktijk."
Het beeldsnijden spreekt misschien het meest tot de ambachtelijke verbeelding. Voor de meester-beeldsnijder Cees van Soestbergen, afkomstig uit de restauratie van gebouwen, is de combinatie van oud gegeven en nieuw bouwen een verademing. Hij bedacht hoe de kop van een paal die midden door het dek steekt, krulhaar heeft of naar links kijkt. Willem doet het niet met zijn eigen handen, maar zegt Cees, "hij geeft het verband aan het geheel. Hij droomt het schip tevoorschijn en ik koers op die droom.
"Het is essentieel dat je je houdt aan de ambachtelijke wijze van werken. Dat betekent onder andere dat je je werk horizontaal op de bank legt en onder je lichaam hebt. Daardoor krijg je een wezenlijk ander resultaat dan wanneer je het verticaal opstelt en snijdt. Dat is ontstaan aan de academies en gebeurt pas vanaf de barok."
Op het moment dat uw redactie de werf bezocht, was men in het beeldsnijatelier bezig om een stuk eiken van ruwweg een meter in het vierkant en anderhalve meter hoog (zegt de leerling: "Er komen scheuren in, ja, maar dat is toch niet zo erg?") te modelleren tot de figuur van een troubadour voor in de bezoekershal. Het boegbeeld, de fel beschilderde galjoensleeuw, is van linden. Niet zozeer omdat dat makkelijk snijdt, maar om het gewicht van slechts 810 kilo.
(De citaten van Joost en Cees en een deel van die van Willem zijn afkomstig uit het boek "Batavia, terugkeer van een retourschip".)