4umi.com/wood/conservation/thonet

Biegen oder brechen
Michael Thonet, ambachtelijk revolutionair

Inhoud

Michael Thonet senior.

devise: Biegen oder brechen.Hiernaast een portret van Michael Thonet senior (1796-1871) uit de duimdikke, tweekleurige Preis-liste zum sechssprachigen illustrierten ExportKataloge gültig ab 1. September 1904. De firma had toen zeven fabrieken in vier landen, en verkooppunten van Broadway in New York tot de Newski Prospekt in Sint Petersburg. In Amsterdam hield men kantoor aan de Kalverstraat 66-68, en in Brün en Graz aan het Thonethof.

Hieronder de gebroeders in 1853. Van links naar rechts Franz, die de buitenlandse handel bestuurde; Michael jr., verantwoordelijk voor de fabriek in Koritschan, August, gespecialiseerd in konstructie en techniek; Josef, hoofd van de Weense verkoop; en Jacob, de jongste.
de gebroeders Thonet

Betekenis

Het is haast ongeëvenaard hoe een zo wijdverbreide en betrekkelijk eenvoudige techniek zo duidelijk is terug te voeren op één man, maar wie denkt aan het buigen van hout, denkt aan Michael Thonet. Niet alleen heeft hij het procedé zover verbeterd dat er sindsdien niets noemenswaardigs aan veranderd is, maar wellicht zijn zijn prestaties op bedrijfskundig en artistiek gebied nog veel groter geweest.

De tweede helft van de 19e eeuw wordt algemeen beschouwd als de periode waarin de eerste golf van industrialisatie door de wereld raasde. De economische (en sociale en esthetische) metamorfose die daar het gevolg van was, schiep de randvoorwaarden voor Thonet's grote succes. Gedurende de eerste helft van de eeuw produceerde hij moderne, tikje excentrieke meubels voor de traditionele bovenlaag van de samenleving, en aldoende vond hij de massaproductie ervan uit.

"Een meubel uit gebogen hout maken, daar is op zich geen kunst aan," lijkt Thonet gedacht te hebben. Zijn uitdaging was vanaf het begin een doelgerichte productiemethode in een tijd van toenemende concurrentie, en houtbuigen bleek economisch zeer aantrekkelijk. De constructie en decoratie (met name het inlegwerk) van het werk dat uit zijn begintijd in de jaren '20 bekend is, vertonen al kenmerken van rationele serieproductie (standaardisatie van maten, functionele opbouw). Vier jaar nadat hij zich als zelfstandig meubelmaker in Wenen had gevestigd, telde het bedrijf reeds veertig werknemers, en van de rond 1855 ontworpen stoel die bekend staat als model no. 14 zijn er in de eerste vijftig jaar meer dan vijftig miljoen verkocht. Het is waarschijnlijk het meest populaire meubel dat ooit is gemaakt.

Doordat Thonet aan deze ongekend grote vraag wist te voldoen, is de conceptie van ambacht als kleinschalig productieproces definitief ontkracht. Als de innige relatie van de handwerkman tot zijn gereedschap en zijn materiaal het kenmerkende van ambacht is, als niet kleinschaligheid maar betrokkenheid of inlevingsvermogen als essentie wordt gezien, dan was Thonets ambacht niet alleen de meubelmakerij, maar ook de strikt rationele massaproductie met een nieuw artistiek gevoel als voornaamste gereedschap. Het personeelsbeleid dat hij voerde, voorzag in gezondheidszorg, huisvesting en scholing. Bovendien heeft hij tot de laatste dag zelf in de fabriek gewerkt.

Er wordt gezegd dat hij goed naar de behoeften en wensen van zijn tijd keek en zich daarom voegde in de Biedermeier, maar even houdbaar is de stelling dat in hem de Jugendstil is begonnen. Het streven naar natuurlijke eenvoud *, die naar niets dan zichzelf verwijst (met name niet naar het verleden), is nooit zo heftig geweest als gedurende de decennia na zijn dood en het is niet ondenkbaar dat de eeuwenlang betrekkelijk onveranderde verhouding tussen esthetiek en functie in beweging is gebracht door zijn massale en eenvoudig te begrijpen toepassing van de houtbuigkunst. In zijn ontwikkeling is nergens een scherpe breuk met het verleden te bespeuren. en des te indrukwekkender is de stapsgewijze benadering van het op niets dan zichzelf gebaseerde meubelontwerp. Met speelse vanzelfsprekendheid smolten vorm en functie samen in een mate die sinds de vroege Middeleeuwen niet meer gezien was.

Een causaal verband tussen de Industriële Revolutie en het streven naar eenvoud in de kunst is niet aan te tonen, maar Thonet heeft beide een flink eind op weg geholpen. Als de Biedermeier de laatste fase is van het classicistische tijdperk dat eindigt met het niets toevoegende Historisme, en de Art Nouveau het begin is van iets anders, dan is Thonet de brug.

Zo is Michael Thonet van onschatbare waarde voor de techniek, de economie en de kunst geweest. Als hij er niet was geweest, hadden zijn tijdgenoten het wellicht zonder hem gedaan, maar doordat hij verschillende talenten in zich verenigd had, kon het houtbuigen in een zeer korte tijd geperfectioneerd worden en tegelijk een afzetmarkt creëren van een ongekende omvang. Vele 20e eeuwse bewegingen van ontwerpers, met name het invloedrijke Bauhaus, vonden in hem een inspirerend voorbeeld.

Zijn vijf zoons hebben na zijn dood de traditie van het experimenteren onverminderd voortgezet, en de resultaten daarvan onverminderd vruchtbaar weten te maken. Gerenommeerde ontwerpers hebben altijd graag met het bedrijf samengewerkt.* De tegenwoordige onderneming maakt voornamelijk meubels uit gebogen staal en plastic, en veel ontwerpen uit de begindagen zijn nog in productie.

Techniek

De ouders van Michael Thonet (1796-1871) kwamen oorspronkelijk uit Andernach-am-Rhein maar hadden zich in 1786 in Boppard-am-Rhein gevestigd, tussen de Neckar en de Moezel. Het waren de nadagen van de Napoleontische tijd toen zijn vader, die zelf koopman was, hem vreemd genoeg in de leer deed bij een meubelmaker.

Biedermeier was in opkomst als uitingsvorm van de in omvang en welvaart toenemende burgerij. Men wilde zich afzetten tegen en spiegelen aan het strenge Classicisme en het militante Empire van de heersende klasse, die spoedig aan belang en status zou inboeten en zich ging aanpassen aan de sociale laag eronder. Mede door die schaalvergroting waren er ook in de productiemethoden de nodige veranderingen te bespeuren. Overvloedig snijwerk zorgde voor veel houtverlies, en om een dreigende schaarste af te wenden ging men (vooral in Duitsland en Oostenrijk, met hun eeuwenoude internationale reputatie in de fijnhoutbewerking) ornamenten persen uit mengsels van zaagsel en lijm. Naar men zegt is dit voor het eerst gebeurd in Berlijn in 1816, en een jaar later in Engeland door Peter Hamelin. Economisch bleken de gevonden technieken echter niet haalbaar, en het werd de eeuw van het machinaal gesneden ornament. Het eerste patent op een (handaangedreven) cirkelzaag is van 1817 op naam van de gebroeders Mundig, en in 1821 verkreeg de Oostenrijkse wagenmaker Melchior Fink een patent op het buigen van een wielrand (d.i. het hele wiel minus de spaken en de naaf) uit één stuk hout. Met die expertise heeft hij echter nooit wat gedaan.

Houtbuigen was tot dan toe voorbehouden aan de scheeps- en bruggenbouw, het minstens zo ingewikkelde ambacht van het wagenwielen maken, het vlechten van manden en het maken van wandelstokken en keukengerei. Bij al die technieken kon de mate van buiging slechts gering zijn, of werd hitte toegepast op een manier die het hout veel van zijn oorspronkelijke sterkte en veerkracht doet verliezen.

muurschildering in de graftombe van Amenenhat, ca. 1950 v.Chr.Links een muurschildering in de graftombe van Amenenhat, ca. 1950 v.Chr.

Rechts een krukje uit de 18e dynastie, ca. 1400 v.Chr.
Egyptisch krukje uit de 18e dynastie, ca. 1400 v.Chr.

De Egyptenaren klismos gefineerd met rozenhout, toegeschreven aan Thomas Chippendale the Younger, ca. 1820.- maar dat wisten Thonet en zijn tijdgenoten niet - hadden geen moeite met buigen van hout van bescheiden afmetingen, getuige bijvoorbeeld een reliëf in het graf te Saqqara uit 2600 v.C. waarop al stoelen te zien zijn die mogelijk verstevigd zijn met gebogen houten regeltjes. Veel belangstelling hadden ze er niet voor: een krukje met drie gebogen poten is op muurschilderingen talloze keren afgebeeld, maar hoe ze het precies deden, is niet overgeleverd.

Houtbuigen in het oude Griekenland is een nog groter mysterie. Dat het gebeurde, is wel waarschijnlijk vanwege de veelvuldig afgebeelde maar nooit teruggevonden klismos. Een enkele schrijver maakt er melding van, maar het procedé was of te vanzelfsprekend of te weinig ontwikkeld om diep op in te gaan of het was een zeer goed bewaakt bedrijfsgeheim van een selecte groep ambachtslieden. Er zijn laat-Romeinse exemplaren van de klismos bewaard gebleven, die zijn samengesteld uit rechte stukken hout, wat zou kunnen wijzen op een algeheel hiaat in de kennis.

Wegens een toenemende belangstelling voor Griekenland was de klismos in het laatste kwart van de 18e eeuw een modieus object geworden in Europa en Amerika. In hun experimenteerwoede lieten de ambachtslieden zelfs bomen in bepaalde curves groeien om maar goed hout te hebben voor de klismospoten. Hieruit blijkt duidelijk dat men houtbuigen maar een lastig tijdverdrijf vond. Een lastige bijkomstigheid van het huidige onderzoek is dat er geen manier bestaat om achteraf met zekerheid te bepalen of een gebogen stuk hout door de mens krom is getrokken of reeds in de boom zo is gegroeid.

"Stowe Garden", detail van een gravure door Jacques Rigaud, 1739.De Windsor-stoel heeft in de eerste helft van 18e eeuw de bestaande kennis vertaald naar de meubelmakerij. In Engeland was het onder de lagere adel, die niets om handen had, usance geworden zich te laten rondrijden door zijn omvangrijke tuinen. Er was dus vraag naar een stoel die weerbestendig en exclusief was; hij moest licht van gewicht zijn, maar wel van alle kanten ondersteuning bieden aan degene die erin plaats nam. Het antwoord had spaken in de rug verbonden door kromgetrokken latten net als een wiel, en een massieve zitting in plaats van een gestoffeerde raamconstructie. De bijkomende vermindering van de hoeveelheid werk (vereenvoudiging van de verbindingen, vervanging van schaafwerk door meer seriematig draaiwerk) maakte de stoel echter zo goedkoop dat hij vervolgens geproduceerd werd voor de breedste lagen van de bevolking. De bekendheid ervan bleef echter in eerste instantie beperkt tot Engeland en de Verenigde Staten. Ten onrechte wordt hij ook wel de 'boerenstoel' genoemd: het was eerst de bovenlaag van de samenleving die zag dat gebogen hout een eigen schoonheid bezit, die ingewikkelde verbindingen en ornamentering overbodig maakt.

In Amerika patenteerde Samuel Gragg in 1808 een manier om massief hout krom te trekken, en nog geen jaar later prees hij in een krantenadvertentie stoelen en banken aan "with elastic backs and bottoms, made in a new, elegant and superior style". stoel in gebogen en beschilderd essen en hickory door Samuel Gragg, Boston ca. 1805.stoel in gebogen essen en hickory door Samuel Gragg, Boston ca. 1815.Gragg zag de eigen vormgevende aspecten van het buigen al goed in, maar doordat bij een brand in het octrooibureau in 1836 alle documenten verloren zijn gegaan, zal de door hem toegepaste techniek wel altijd een raadsel blijven; bovendien zijn de meubelen van zijn hand meestal helemaal beschilderd, waardoor veel aan het oog onttrokken is.

De Engelsman Isaak Sargent deed in de eerste decennia van de 19e eeuw wetenschappelijk experimentele pogingen om de sterkte van het hout te behouden bij het buigen, en ontwikkelde een methode waarbij het hout wordt ondergedompeld in heet water (waardoor de celwanden zacht worden en het hout zich gemakkelijker laat indrukken), geperst in mallen en gedroogd in de schaduw. Vooral zijn rapportage van het verrichte onderzoek maakt zijn werkzaamheden interessant, maar zijn conclusie dat het bleek aan te komen op een afgewogen verhouding van de hoeveelheden hout, water, hitte, druk en tijd, bracht geen grote vooruitgang.

Het is niet duidelijk of Thonet weet had van deze voorgangers (of van de naar Braunschwieg in Duitsland geëmigreerde Engelsman Major Thew, die speciaal voor het buigen van hout een stoommachine ontwikkelde in 1750, een halve eeuw voor James Watt!) maar hij zou ze ver achter zich laten.

Politiek

Sinds 1798, negen jaar na het uitbreken van de Franse Revolutie, waren er in het Louvre regelmatig exposities over de actuele stand van zaken op de gebieden van kunst en industrie (toen nog synoniem met nijverheid) geweest, en in navolging daarvan vond de eerste in Duitsland plaats in 1812 in Stuttgart, gevolgd door exposities in M? in 1815 en D?orf en Leipzig in 1816, waarna de stroom niet meer te stuiten was. Overal werden onder grote belangstelling van de media door jury's en commissies prijzen toegekend.

handwerktafel door Thonet, 1850.Vooral in midden-Europa werden industriële tentoonstellingen (naast artikelen in vakbladen zoals de Wöchentlich Anzeiger für Kunst- und Gewerbe-Fleiss im Königreich Baiern) een populair middel om noviteiten wereldkundig te maken. Voor heel Oostenrijk-Hongarije werd de eerste in 1791 gehouden in Praag, en keizer Francis I stichtte in 1807 het Keizerlijk Koninklijk Kabinet van Fabrieksprodukten om in serie vervaardigde kunstvoorwerpen en gebruiksartikelen te verzamelen. (Het woord 'fabriek' werd gebruikt voor werkplaatsen waar een ver doorgevoerde rolverdeling een zekere mate van specialisatie inhield waardoor werklieden niet eventueel elkaars werk kunnen overnemen, die Henry Ford pas in 1932 zou bezegelen met de lopende band. Met een verschil tussen handmatige en machinale vervaardiging heeft het niets te maken.)

Thonet zou er een gewoonte van maken om op dergelijke tentoonstellingen toonaangevend aanwezig te zijn met meubels en andere staaltjes van zijn kunst. Het Crystal Palace was op de eerste Wereldtentoonstelling in 1851 in Londen een spraakmakend symbool van het allermodernste bouwen in staal en glas en het buigen daarvan, maar de handwerktafel die Thonet er tentoonstelde, is ronduit duizelingwekkend, en kreeg de eerste prijs.

In de Rijnstreek waar Thonet opgroeide, bestond een brede, redelijk welvarende middenklasse, die zich verzette tegen Napoleon; in 1815 werd het zonder slag of stoot bij Pruisen gevoegd. De eveneens uit het Rijnland afkomstige prins en Oostenrijkse minister Clemens von Mettemich wiste met het Congres van Wenen in 1815 de revolutionaire politiek in Europa van de kaart. Als kanselier van Oostenrijk schiep hij vervolgens een politiestaat, maar zijn achterdocht jegens alle vormen van vrijdenken en experimenteren betrof niet de handel, industrie en toegepaste kunsten, vastbesloten als hij was om het land een geïndustrialiseerde grootmacht te maken, hetgeen echter pas na de revolutie van 1848 mogelijk zou worden.

Het was onder de uitdijende bourgeoisie, politiek op non-actief gezet, zeer correct om de creatieve energie te richten op meer wetenschappelijke en huiselijke zaken, en hierdoor kon de Biedermeier, hoewel volledig geënt op de klassieke vormentaal, toch zo 'n frisse uitstraling krijgen. De omstandigheden waren dus ideaal voor de eigenzinnige ideeën van Michael Thonet, toen hij in 1819 zijn eigen werkplaats opende.

Boppard

De eerste jaren werkte Michael Thonet op de traditionele manier met stijlen, regels, vulpanelen en pen- en gatverbindingen, maar langzaam kwam hij tot andere, lichtere en tegelijk steviger meubels. Rond 1830 ging hij gebogen fineer toepassen in zijn meubels niet alleen ter decoratie als bovenste laag op gekuipt (met raspen en spookschaven rondgemaakt) of ingezaagd blindhout zoals te doen gebruikelijk was bij de meubels van een zekere klasse, maar in meerdere lagen op elkaar geplakt als zelfstandig deel van het meubel. In het begin maakte hij zo zwierige ornamenten, maar al snel werden complete hoofd- en voeteneinden van bedden en sofa's, poten en regels opgebouwd uit lange stroken op elkaar gelijmd fineer. Hierbij maakte hij gebruik van mallen die meerdere malen gebruikt konden worden, hetgeen relatief goedkope serieproductie zeer voor de hand liggend maakt, temeer daar de meubelen als zoete broodjes over de toonbank gingen in de stadjes van het Rijnland.

de mal voor de rug en voorpoten van de eerste Boppard-stoel, zoals gepatenteerd in Parijs in 1841.Deze tekeningen beschrijven Thonet's eerste octrooi. De stoel die met deze mallen gemaakt wordt, staat hier beneden.
de mal voor de achterpoten van de eerste Boppard-stoel, zoals gepatenteerd in Parijs in 1841.

Dit succes is misschien te verklaren uit de ongewone sierlijkheid die de meubels kregen van de gebogen vormen en waarvoor de Biedermeier meer dan ontvankelijk was, maar het was Thonet in beginsel te doen om het aspect van productie in series. Dat blijkt onder andere uit de meubels die hij de tien jaar daarvoor al had voorzien van parquetrie (zijn specialisatie in zijn tijd als leerling) die min of meer geprefabriceerd was. Lamineren was in zijn ogen de logische manier om arbeidsintensieve verbindingen en ornamentiek overbodig te maken, gegeven de in 1823 door een van de gebroeders Mundig gepatenteerde en sindsdien verder verbeterde fineersnijmachine, die zorgde voor betaalbaar beginmateriaal.

Het fineer wordt eerst in een kokend bad van huiden- en beenderlijm gelegd, en vervolgens in de mallen geperst. De binnenste lagen kunnen van een inferieure houtsoort zijn. Na afkoeling tot kamertemperatuur (doorgaans in minder dan een etmaal) wordt het uit de mallen gehaald en nageschuurd. de eerste Boppard-stoel, nu in een museum in Wenen. De onderregel tussen de voorpoten ontbreekt.de tweede Boppard-stoel. Voor- en achterpoten zijn één geworden.Men heeft dan een stuk hout van iedere gewenste curve, sneller, lichter en duurzamer dan op enige andere manier mogelijk was geweest. Dat zelfs de onderregels in de hiernaast afgebeelde stoelen zijn samengesteld uit gebogen plakjes hout, toont onomstotelijk aan dat deze volstrekt nieuwe manier van omgaan met hout niet kostbaarder hoefde te zijn dan conventionele technieken.

Tussen 1836 en 1840 ontwikkelde Thonet wat bekend is geworden als de Boppard-stoel, die op en top Biedermeier te noemen is in het gebruik van vormen, en ronduit revolutionair wat de constructie betreft. Tot dan toe waren stoelen constructief gezien eigenlijk altijd beschouwd als een rugpand, een voorpand en wat regels en een zitting daartussen, maar nu werden de zaken een kwartslag gedraaid: er zijn twee zijpanden, opgebouwd uit louter fineer, die met elkaar worden verbonden door de zitting. Alleen de voor- en achterregel van de zitting, de kap en in een enkel geval ook de lenderegel in de rug zijn nog gesneden uit massief hout, al zou het niet lang duren voordat de mallen ook in de tweede dimensie konden buigen.

de derde Boppard-stoel. De rugkap is nu geïntegreerd met de rest van het meubel.In de stoel die tussen 1840 en 1842 ontstond, is de plaats van de losse kap ingenomen door een voortzetting van de rugstijlen. Zie hiernaast. Het is duidelijk dat de mal hier nog steeds maar in één richting tegelijk buigt, er is een hoge stoffering op de zitting nodig om de ongelukkige torsie ter hoogte van de achterregel aan het zicht te onttrekken, en er wordt op gewezen dat deze stoel slechts zonder armleuningen verkrijgbaar is—een notitie waaruit Thonets zoektocht naar een strikte logica in zijn productie duidelijk is af te lezen.

In 1841 stond Thonet op een tentoonstelling in Koblenz, waar hij werd opgemerkt door Prins Metternich, die op dat moment een bezoek bracht aan zijn geboortestad. Deze was zeer onder de indruk van de originele benadering van het productieprincipe, herkende wellicht onmiddellijk de economische potentie en nodigde de meubelmaker uit op zijn kasteel Johannisberg-am-Rhein om deze innovatie beter te leren kennen. Thonet bracht onder andere meubels en een wagenwiel mee ter demonstatie van de mogelijkheden, en de prins raakte bijzonder enthousiast. Hij zou zelfs letterlijk hebben gezegd: "In Boppard zult U altijd arm blijven. Ga naar Wenen. Ik wil U voorstellen aan de keizer."

Wenen

Thonet, inmiddels in bedrijf met 25 werknemers en met patenten (van geleend geld) in Engeland, België en Frankrijk, besloot om op het aanbod in te gaan. In het voorjaar van 1842 ging hij naar Wenen, waar Metternich hem introduceerde aan het hof. Dat deed hij, zo schreef Thonet aan zijn vrouw, "met zo een geestdrift over onze dingen dat hij werkelijk geen woord toe te voegen over liet; hij ging heen en weer op zijn stoel; hij liet het houtje zien dat hij in Johannisberg van mij gekregen had, en beschreef de sterkte ervan in relatie tot de geringe omvang; hij legde de opbouw uit alsof hij zelf met ons had samengewerkt, met name tijdens zijn betoog over de verdiensten van het wagenwiel."

Op 14 juli 1842 verkreeg hij het patent dat hij van de keizer wilde, "om te buigen iedere soort hout, zelfs de meest broze, langs mechanische en chemische wegen, ter verkrijging van iedere gewenste curve". Voor een zekere periode was Thonet nu de enige in heel Oostenrijk-Hongarije die gebogen houten meubels mocht verkopen. Hier werden patenten niet uitgegeven door duurbetaalde commissies, maar bepaalde de keizer wie wat kon doen. En Thonets ambitieuze idee van productie in het groot sloot naadloos aan op het landsbelang.

Al kort na zijn aankomst in Wenen werd Thonet in staat gesteld om kleine meubelen uit te voeren in de werkplaats van Franz List, een meubelmaker die op het punt stond om met pensioen te gaan. In de herfst van dat jaar liet hij zijn gezin overkomen en na een jaar voor List te hebben gewerkt (hij had toen al een voorraad van 800 meubelstukken, maar de afzetmogelijkheden waren beperkt; de markt was nog gewend om met opdrachten te werken), stelde deze hem voor aan de Engelse architect P.H. Desvignes, die op dat moment bezig was met de renovatie en herinrichting (er was immers een nieuwe mode, die we nu het Historisme noemen) van de Weense residentie van prins Alois von Liechtenstein.

Voorlopig niet in staat om het bedrijf van List over te nemen wegens de in Boppard gemaakte schulden, schikte Thonet zich in een tijdelijk bestaan als werknemer. Voor het paleis van Liechtenstein werkte Thonet met zijn zoon Franz in de fabriek van Carl Leister, een meubelmaker aan wie de opdracht al eerder was toegezegd.

vergulde stoel in massief hout voor paleis Liechtenstein.
Klik voor meer detail.Het eerste meubel dat Thonet er maakte (waarschijnlijk naar een ontwerp van Desvignes, dat teruggrijpt op Louis XIV en Queen Anne lijnen, maar het is duidelijk dat Desvignes zeer te spreken was over de nieuwe methode) was een vergulde stoel. Het eerste exemplaar vervaardigde hij uit massief hout, waarschijnlijk omdat hij voor het eerst met zo exclusieve materialen werkte, maar de volgende werden opgebouwd uit zes bundels laminaat zonder mechanische verbindingen, beplakt met sperfineer en gefixeerd in een rechthoekige kruisverbinding die werd bijgewerkt met een rasp.

Het streven om een stoel helder samen te stellen uit haar afzonderlijke delen is duidelijk zichtbaar, zeker in een vergelijking met een traditionele neorococo armstoel die Carl Leister voor hetzelfde paleis maakte. Voor Leister was een fauteuil een object waaruit geschiedenis spreekt, en hij zag dan ook niets in Thonets idee om een deel van zijn fabriek te ruilen voor een deel van diens patent.

stoel van Carl Leister voor paleis Liechtenstein

Hierboven armstoel door Carl Leister, links stoel door Thonet, beide voor paleis Liechtenstein.

Twee jaar later maakte Thonet een zwartgelakte stoel die alleen verschilt van de eerste in toon (het achterpand laat eerlijk zien uit hoeveel delen het bestaat; de delen zijn zwaarder, minder afgerond en zelfs aangezet met cannelures, waaruit duidelijk is op te maken dat de vorm van de doorsnee van een laminaatbundel niet bepaald werd door beperkingen van technische aard, maar eenvoudig aangepast kan worden aan particuliere wensen) en in de constructie waar het probleem met de achterregel is opgelost: de stoffering is op een los en uitneembaar raamwerk gespannen. Veertig jaar eerder was dat gebruikelijk geworden bij zitmeubelen in het algemeen, maar voor Thonet was het de volgende grote stap in de ontwikkeling van geprefabriceerde, uitwisselbare onderdelen.

In 1849 opende Thonet met steun van Desvignes zijn eigen werkplaats in Wenen. Samen met zijn zoons ging hij grote series gelamineerde meubelen produceren, terwijl de stad juist een dramatische groeiperiode doormaakte (van 420.000 in 1840 tot 843.000 in 1870).

Op een expositie, georganiseerd door het plaatselijke gilde in 1850, verscheen hij met een parketvloer van verschillende soorten gebogen hout en het eerste meubel dat volledig uit vervangbare halffabrikaten bestond: een stoel waarvan de voorpoten direct in de plaatselijk verdikte gelamineerde zitting waren gedeuveld, en de achterpoten waren vastgeschroefd. Thonet was dan ook een van de eerste bedrijven waar schroeven van een betrouwbare kwaliteit massaal werden geproduceerd.

Door dikker fineer te nemen kwam hij het ideaal van gebogen massief hout weer dichterbij: de vlakvulling in de rug bestaat uit acht lagen, en de achterpoten-en-ruglijst telt er nog maar vier in plaats van de tot dan toe gebruikelijke twaalf. Hij had een methode ontwikkeld om stroken hout van elf milimeter dik met behoud van sterkte te buigen door ze te koken in water en in een mal te laten drogen, alvorens het te verlijmen in een andere mal. De plakkracht van zijn speciaal voor de eigen stevigheid ontwikkelde lijm ging verloren bij een tweede verhitting, maar hout kon dat met mate wel hebben.

De expositie trok de aandacht van de eigenaresse van het modieuze koffiehuis Café ?aum aan de Kohlmarket en zij was het, die de eerste grote bestelling deed. De stoel wordt daarom ook wel de Daum-stoel genoemd. De eigenschappen die de Windsorstoel zo geschikt maakten voor rondritjes door tuinen, bleken ook perfect voor gebruik in de openbare ruimtes, de terrassen, de restaurants en conferentiezalen die in die jaren ontstonden. Nog geen jaar later bestelde een hotel in Boedapest vierhonderd van deze stoelen in essenhout. Naar het schijnt hebben de eerste Daum-stoelen (van betrekkelijk zwak mahonie) het 25 jaar in dienst van het café°µbliek volgehouden. Het ontwerp leeft voort in de catalogus van Thonet als model no. 4.

model no.4 in de catalogus van 1904 met prijzen in Oostenrijkse Kronen. Van links naar rechts een stoel, canap鬠een 'Halbfauteuil' (een kleine armstoel) en een armstoel.

De Wereldtentoonstelling

In 1850 richtte de familie haar aandacht op de in Londen te houden Exhibition of the Industry of all Nations, de eerste Wereldtentoonstelling. Thonet was aanwezig met meubels in gebogen beuken, mahonie, rozenhout en palissander, enkele ingelegd met messing, parelmoer en schildpad. Hij verwierf de hoogste onderscheiding voor industrieel vervaardigde producten (een medaille in brons) en talloze buitenlandse orders. Vooral Zuid-Amerika en met name de grote steden van Brazilië zouden vallen voor Thonet. In de rijkdom en frivole verfijndheid van de vormen liet Thonet alles zien waartoe hij in staat was. De wereld mocht trots op zichzelf zijn.
De ingezonden meubelstukken, waaronder drie tafels, zes stoelen, twee fauteuils en een canapé werden na afloop aangekocht door Desvignes voor zijn buitenhuis.

illustratie van Thonet voor de eerste Wereldtentoonstelling.

stoel no. 9 in gebogen beukenhout, beukenlaminaat en riet, ca. 1860.De stoel van de Wereldtentoonstelling laat een oplossing zien voor twee problemen. De verbinding van de voorpoot aan de zittingregels was tot dan een kwestie van tijdrovend beitelwerk (Liechtenstein) of betrekkelijk onstevig deuvelen (Café ?aum) geweest, maar wederom door simpelweg de delen samen te nemen in één laminaat slaagde Thonet erin een steviger en tegelijk sierlijker meubel te maken. De rechtopstaande lus in het midden vond hij esthetisch noodzakelijk maar maakt de stoel er niet goedkoper op.

Het andere probleem betreft het buigen in meer dimensies. Thonet wilde het zitcomfort verhogen door in de rug een rieten mat aan te brengen op een horizontaal gebold en verticaal gehold vlak. De oplossing was om reeds gebogen laminaten opnieuw in plakken te zagen en te bundelen. Dit proces was echter tijdrovend en vroeg veel van de kracht van het hout, en een betere oplossing zou zich gauw aandienen.

Het ontwerp werd voor massaproductie geschikt gemaakt en in de catalogus (waarin vanaf 1859 de gestandaardiseerde producten van het bedrijf gepresenteerd werden) opgenomen als model no. 9. In 1904 was het nummer uit de catalogus verdwenen, maar de bijdrage ervan aan de ontwikkeling van het optimale productieproces is onuitwisbaar.

Numero 14

stoel no. 14De rug van stoel no. 14 is goedkoper, gaat langer mee en leunt naar verluid comfortabeler dan die van no. 9. Volgens sommigen is Thonetstoel no. 14 het meest verkochte houten voorwerp van alle tijden. In de jaren tussen 1850 en 1860 systematisch tot stand gekomen als het Biedermeier summum van eenvoudige gratie in plasticiteit en functie, waren er voor het einde van de eeuw al veertig miljoen stuks geproduceerd. De stoel was elegant genoeg voor de meest prestigieuze salons en voldoende robuust voor elk café.  De samenstellende delen van stoel no. 14. Bovendien kostte in 1860 een exemplaar van de stoel drie gulden, evenveel als een fles slechte wijn.

Vanaf de eerste fase was het ontwerpproces gericht geweest op de massaproductie van een duurzaam goed. De cirkelvormige zitting kan symbool staan voor de versmelting van economie en esthetica. De uiteindelijke versie is als een eenvoudig bouwpakket bestaande uit een zitting en vijf stukken hout, tien schroeven en twee moertjes, en er passen 36 stuks in een kubieke meter.

de ontwikkeling van stoel no. 14 tussen 1850 en 1859 in vijf logische stappen.

De ontwikkeling van model no. 14 ging samen op met de groei van het bedrijf van de Thonets. De fabriek telde in 1853, slechts vier jaar na het begin van de Weense onderneming, al 42 werknemers: negen meubelmakers, een houtdraaier, acht fineersnijders, twee lijmers, acht schuurders, twee beitsers, tien afwerkers en twee mensen om de schroeven erin te draaien. Het mattenvlechten werd uitbesteed.

Thonet werd een welbekende naam, en de afgunst van de gevestigde orde van ambachtslieden liet niet lang op zich wachten. Michael was niet opgeleid in het lokale gilde (dat werd pas opgeheven in 1867) en eenmaal was er zelfs ministeriële interventie nodig om de bestelling van een parketvloer voor een paleis in Boedapest mogelijk te maken.

In het najaar van 1853 kocht Michael Thonet een stoommachine met een kracht van 4 pk, en op 1 november van dat jaar maakte hij zijn zoons de officiële eigenaren van wat sindsdien heet Gebr?honet. Hij zelf bleef nog aan als directeur en behartigde de belangen van zijn jongste, nog minderjarige zoon Jacob, maar hij kreeg zo wel de handen vrij om na te denken over de beslissende fase in de ontwikkeling van de houtbuigkunst.

Een strook staal

De grote populariteit aan de andere kant van de oceaan maakte de lamineertechniek van fineer op fineer zelf tot een acuut probleem, want alle lijm werd week in de vochtige oceaan- en tropenlucht. De oplossing, die mogelijk is geïnspireerd door de hierna besproken droom van een gemechaniseerde fabriek, diende zich in 1856 aan als een metalen strip. Hoewel Thonet waarschijnlijk niet de eerste was die op het idee kwam, veroverde hij de wereld ermee.

buiging in een materiaalWanneer een voorwerp wordt gebogen, is er onderscheid te maken in drie zones. De stippellijn in de tekening hiernaast is het neutrale gebied, daarboven wordt het materiaal uit elkaar getrokken, eronder wordt het in elkaar gedrukt.

Aan het convexe vlak aan de bovenkant wil hout uitbreken en aan de andere kant wil het in elkaar knakken. Door een strook staal (of enig materiaal dat bestand tegen grote trekkrachten en buigzaam tegelijk is) met twee stuitjes aan de uiteinden voor het buigen aan het hout te bevestigen, zal het neutrale gebied zich naar buiten verplaatsen, in de richting of zelfs voorbij het convexe oppervlak, hetgeen de neiging van de buitenste houtvezels om los te raken tot een minimum beperkt. Het overige hout wordt meer ingedrukt maar door een goede spreiding van de spanning is knakken vrijwel uitgesloten.

de stalen mal voor de rug van stoel no. 14.Hoe belangrijk de sterkte van een materiaal in de buitenste en dus ook meest ingedrukte lagen is, wordt duidelijk als men bedenkt dat fietsframes en botten hol zijn: de eventuele kern draagt niet bij aan de stevigheid. Het behoud van deze sterkte bleef dus altijd voorop staan. Dat tegenwoordig in de massaproductie weer vaak gekozen wordt voor laminaat, heeft te maken met de prijsontwikkeling van fineer, en het vertrouwen dat gesteld wordt in synthetische lijmen.

Zelfs het hardste hout is op deze manier te buigen mits men over voldoende kracht beschikt, maar Thonet koos in de massaproductie voor beuken. Dat is licht van gewicht, regelmatig van structuur (tot en met de celwanddikte het jaar rond toe), ruim voorhanden en gemakkelijk te bewerken en aflakken, maar de grote elasticiteit gaf de doorslag.

Koritschan en verder

In de lente van 1856 liet Michael de werkplaats achter onder de hoede van zijn vijf zoons om net als in '42 zijn pioniersgeest achterna te gaan. In de bossen rond Koritschan, een plaatsje in de westelijke uitloop van het gebergte van Moravië (in het huidige Tsjechië), zocht hij de plek uit waar een fabriek aan een speciaal aan te leggen spoorlijn zou komen, als een gigantische automaat van voornamelijk nummer 14-stoelen, gevoed met hout uit de omgeving en de arbeid van nog ongeschoolde autochtonen, en vormgegeven door onophoudelijke innovaties van de Thonets. De machines ontwierpen en maakten Michael en zijn kinderen helemaal zelf, inclusief een mechanische spookschaaf en - toen het hout in de buurt op raakte - een grote raamzaag die mee de bossen inging om te besparen op het transport van onbruikbaar materiaal.

werk in de fabriek in Koritschan, tweede helft 19e eeuw.

Op 10 juli 1856 kreeg Thonet voor de laatste maal het Oostenrijks-Hongaars alleenrecht "auf die Anfertigung von Sesseln und Tischf. aus gebogenem Holze, dessen Biegung durch Einwerkung von Wasserdämpfe oder siedenden Flüssigkeiten geschieht". In 1857 werd de standplaats in Wenen behoudens een warenhuis opgedoekt. Medio 1862 werkten er 300 mensen in de fabriek, die 200 meubelstukken per dag produceerden, schommelstoel no. 1, ca. 1888.en later dat jaar bouwde Thonet een fabriek in Bistritz-am-Hostein, 50 kilometer van Koritschan vandaan.

De groei was onstuitbaar, ook na afloop van het patent op 10 december 1869 toen de competitie met vooral de Weense firma Jacob & Josef Kohn legale vormen aan kon nemen, maar de familie bleef zich interesseren voor nieuwe technische en artistieke uitdagingen. Telkens bleken de vormen, verhoudingen en decoratieve krullen eenvoudig aan te passen aan de mode van het moment.

De schommelstoel, een eeuw eerder ontstaan in Amerika, was nog een nieuwigheid in Europa toen Thonet in 1862 op de International Exbibition in Londen met rocker no. 1 verscheen. Maar in 1873 had het bedrijf al dertig modellen standaard leverbaar. En in tegenstelling tot andere schommelstoelen, die gemaakt zijn als een normale stoel met vier rechte poten die onderaan zijn voorzien van twee kromme regels, draait Thonets schommelstoel er niet omheen dat zijn essentie ligt in de beweging: het schommelen.

model no. 18.een artistiek statement van August Thonet.
Klik voor meer detail.Op de Exposition Universelle in Parijs in 1867 presenteerde August Thonet een experimentele stoel uit één stuk van acht meter lang beukenhout, nu te zien hier rechts en in het Technisches Museum in Wenen. Het zal duidelijk zijn dat het hem in deze niet ging om zitcomfort, doelmatigheid of eenvoud van constructie, maar enkel om de artistieke expressie. Toch zou niet veel later een aangepaste versie die bestond uit twee stukken van minder dan vier meter, seriematig geproduceerd worden.

Uit dezelfde tijd stamt stoel no. 18, hier links, die de roem deelt van no. 14. Door de verticale spaken in de rug leunt hij gemakkelijker, oogt hij nog ranker en is hij nog compacter te verschepen. Bovendien is er een schroef minder nodig.

Na 1871

De dood van Michael Thonet senior in 1871 had geen merkbare invloed op de immer stijgende lijn van creativiteit en produktiviteit in het bedrijf. De mogelijkheden van gebogen hout bleken onuitputtelijk en tijdloos. En dankzij Thonets beleid om nooit geld te lenen (de eerste crediteuren in Boppard hadden hem in Wenen meer dan hem lief was belemmerd) doorstond het bedrijf de beurskrach van 1873 glansrijk.

In de eerste catalogus die Thonet uitgaf in 1859, werden vijfentwintig verschillende objecten aangeboden. In die van 1873 staan er tachtig vermeld, en in 1911 maakte het bedrijf zo 'n veertienhonderd artikelen in duizendtallen per dag. Na fusies met de grote concurrenten Kohn en Mundus verdween de familie uit de leidinggevende posities. Met tienduizenden werknemers in bijna honderd fabrieken en kantoren over de hele wereld is het bedrijf onderhevig aan krachten die met de meubelmakerij niets te maken hebben.

In 1938 verhuisde het hoofdkwartier naar de Verenigde Staten. Na de oorlog groeide er een grote (genationaliseerde) industrie van gebogen meubelen in Polen, Tsjechoslowakije en Roemenië, zodat veel van de oude fabrieken nog in gebruik zijn. De Thonets zelf vestigden zich als directie van de fabrieken in West-Duitsland en Oostenrijk, los van het Amerikaanse bedrijf dat bekend zou worden als Thonay Industries.

Meer dan hout

model no. 56, ca. 1886.Rond 1880 vonden de gebroeders Thonet de oplossing voor een zitting die nagenoeg even licht en comfortabel is als de rieten mat, maar veel steviger: triplex. De binnenste laag was van zacht berkenhout, en de buitenste lagen waren eerst van eiken, later van beuken, waarbij in het geheel een ondiepe kuil werd geperst. Het patent volgde na een rechtzaak tegen de firma Gardner uit New York, die geen jarenlange systematische ontwikkeling van idee tot concept kon aantonen.

Omdat beukenhout schaarser werd, ging het bedrijf in 1886 ertoe over om het achterpand weer te gaan samenstellen uit afzonderlijke stukken, zoals de rug van stoel nummer 56 hier rechts laat zien. Bij deze wijze van vervaardiging zijn aanzienlijk minder exclusieve beukenbomen nodig en is er minder afvalhout.

Omdat de ruimte in het Deutsche Volkstheater te Wenen schaars was, vond Thonet in 1888 de theaterstoel uit, die onmiddellijk overal in Europa gevraagd werd. De kunst van het bedrijf om gedetailleerd grootschalig te denken blijkt goed uit de voortvarende aanpak van het nieuwe product: binnen korte tijd werden er enkele modellen gelanceerd waarvan het klapmechaniek kon worden voorzien van veren en een contragewicht, met en zonder armleuningen, met of zonder voetensteun voor de zitplaats erachter, leverbaar in rijen van vier, maar ook per stuk om in het theater iedere denkbare curve in de opstelling mogelijk te maken. Vijftien jaar later waren er al meer dan honderd zalen uitgerust met klapstoelen van Thonet, waaronder het Koninklijk Theater van Calcutta, de Académie de Médicine in Parijs, het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam en het Stadstheater van Leiden.

Hieronder een theaterstoel met decoratief plaatmateriaal en riet als opties, rechts een speciaal ontwerp voor de Weense mode van 1905 (de Wiener Werkstatte).
speciaal ontwerp voor de Wiener Werkstatte, scharnierend rond een doorlopende metalen as.
theaterklapstoel no. 1, een versie zonder veren en gewicht, uitgevoerd in bedrukt triplex en riet, uit de catalogus van 1904.

Ook huis- en tuinmeubelen werden inklapbaar gemaakt, en vanaf 1895 staan er meubels van plaatmateriaal in de catalogus. De diverse ontwerpen voegden weliswaar een nieuw register toe aan de vormentaal van het buigen, maar de productie was vooralsnog arbeidsintensief, voornamelijk omdat eerst het plaatmateriaal zelf gemaakt moest worden.

In niets dat ze ondernamen, waren de Thonets nog de enige, al waren ze wel de enige die alles deden, van wandelstokken en kamerschermen tot buffetkasten en zelfs industrieel vervaardigd poppenhuismeubilair, van rolstoelen (met wielspaken van bamboe) tot turnringen. Andere meubelfirma's benaderden een stoel als vormgegeven functie of als functionele vorm, maar in het bedrijf van Thonet maakte dat geen verschil: men hield als vanouds alles in eigen hand.

principe van de gasbuisstoel van Mart Stam, 1925.de MR-stoel van Ludwig Mies van der Rohe, 1927.De eerste stoel uit gebogen staal die in serie werd geproduceerd, heeft de Duitse naam der MR-Stuhl en werd in 1927 op de markt gebracht door metaalbewerkingsbedrijf Joseph M?uit Berlijn; het ontwerp staat op naam van Ludwig Mies van de Rohe. Vast staat dat hij zich heeft laten inspireren door de gasbuisstoel waarmee Mart Stam het jaar daarvoor het tijdperk van de stalen buis-frames in de meubelmakerij inluidde, maar hij lijkt een duidelijke knipoog te maken naar de schommelstoel van de firma Thonet. Niet de vorm maar wel de eigenschappen van het staal maken het een buitengewoon veerkrachtig meubel.

De B32 van ontwerper Marcel Breuer staat vanaf 1930 in Thonets catalogus en is in onnoemelijk veel versies nog altijd een zeer goed verkopende stalen stoel. de B32 van Marcel Breuer, 1928.Hij bestaat uit verchroomd staal en riet in een raamwerk van gebogen hout. Het idee laat de materialen heel eerlijk ieder voor zich spreken, het rechte staal is comfortabeler en doet natuurlijker aan dan Mies van der Rohes grote bocht. Voor wie het overige werk van Breuer, afkomstig uit de beweging van De Stijl, kent, is de bijdrage van Thonet zelf aan het ontwerp onmiskenbaar. Het concept van verwisselbare halffabrikaten vormt de basis van het hele idee. Rug en zitting zijn los verkrijgbaar.

Maar niemand heeft voorzien dat de organisatie en arbeid die het handmatig opschroeven van een geprefabriceerd onderdeel vergt, wel eens de prijsbepalende factor kon worden. Tegenwoordig is het niet zelden goedkoper om een nieuwe stoel aan te schaffen wanneer er schade is opgetreden, dan om alleen het beschadigde deel te herstellen of vervangen.

Thonets bijdrage aan de ontwikkeling van gegoten en gebogen plastic is ook niet gering geweest, maar daarvoor verwijzen wij naar de website van de firma zelf.

bamboe bank, uit de catalogus van 1904

Ter conclusie

1869, d.i. nach Ablauf unseres Patentes, entstand die erste Konkurrenzfabrik. Es ist naturgemäss, dass diese die siether entständenen zahlreichen Konkurrenzfabriken alle von uns geschaffenen Typen in ihre Fabrikation aufnahmen; aber auch nach erfolgter Gr? und Inbetriebsetzung der Konkurrenzfabriken blieben wir die Sch?r jener Hauptkonsumtypen dieser Industrie, welche noch heute den Weltmarkt beherrschen.

Gebrüder Thonet.
Wien, 1. Oktober 1904.

Met deze niet van eigendunk gespeende woorden in de catalogus van 1904 lijkt de firma Thonet zichzelf enigszins te overschatten. In 1892 patenteerde de Belg Léon Cambier een alternatieve manier om onderregels te verbinden door buiging van hout, die tientallen jaren in gebruik bleef. Verandering van spijs doet eten, maar het blijft een arbeidsintensieve en onpraktische verbinding, vergeleken met wat Thonet had bedacht.

Maar sinds de explosie van de mogelijkheden in de twingtigste eeuw na de opkomst van halffabrikaten zoals schroeven, plaatmaterialen en hang- en sluitwerk in alle materialen, soorten en maten is men voor serieuze ontwikkelingen in de meubelindustrie aangewezen op het genie van invloedrijke ontwerpers, die vrijwel allemaal ooit met Thonet hebben samengewerkt.

Hieronder staat tenslotte een vertolking van de eind-twintigste eeuwse state of the art door Willem Aalders, auteur van het boek Houtbewerken in de praktijk:

Vul een vat van minstens 23 liter voor tweederde met water, verwarm dat zoals aangegeven op tekening 1 en stoom het hout totdat het soepel is. Dit kan een halve dag duren; in de kist moet een temperatuur van 100? Celsius heersen. Haal het daarna uit de kist en plaats het direct tegen het midden van een voorgevormde buigmal (2). Plaats een metalen strook en wat afvalhout in het midden aan de andere kant van het hout en klem het vast aan de buigmal. Trek beide handvaten van de metalen strip naar de zijkanten, zodat het hout langs de buigmal wordt gebogen (3). Laat een assistent de rugplaten met een grote klem vastzetten, zowel aan het uiteinde als waar de buiging begint (4). Dit alles kan geschieden onder normale atmosferische druk. Wanneer het hout veel looizuur bevat (zoals eiken) vervangt men de stalen band door een aluminium. Na droging zal het hout weer enigszins strekken.
stap 1: stoom het hout in de kist.

stap 2: klem het midden.
stap 3: trek de uiteinden naar binnen.    stap 4: laat het geheel rustig bij kamertemperatuur drogen.

Geraadpleegde literatuur