Zomerregen
- Regen, regen, gij kleine regen,
- Daar straks, van even terzijde, schuin
- Door de uchtendstilte neergezegen
- Op klim- en struikroos van de tuin.
-
- En nu, de vochtige naglans tegen
- Uit mij, dit donker perk, gebeurd,
- Regen, regen, gij kleine regen,
- Eén witte bloem, die trilt en geurt.
Uit: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1956-1957.
- --oOo-- -