Voor het raam
- Hier, in mijn eigen leven: ik.
- Op gras en takken stilte en sneeuw—
- Wat droomde ik van heelal en eeuw?
- Daar is alleen: dit oogenblik.
-
- Ik voel 't. En toch, niet gans als míjn,
- Maar of 't mij toeruist door die boom:
- Een stem, van verder dan mijn droom
- Gezongen uit een dieper zijn.
-
- Wel weet ik: als die stem mij richt,
- Wordt eens dit bont-verweven lot
- Plotseling tezaamgetrokken tot
- Eén, helle, kern, een flitsend licht.
Circa 1940.
- --oOo-- -