Bij ’t verwachten der Liefste
- Ik weet het dat ge mijn zijt—mijn alleen—
- Ik weet het—en ik peins het wonder na
- en kan het niet bevatten—hoe ik peins.
- Mijn is uw lach en de opslag uwer oogen,
- mijn is uw ziel—uw gansche, diepe ziel.
-
- Zal ik het straks begrijpen, als ge komt,
- als hij uw hand mij zoo vertrouwend reikt,
- het hoofdje half gebogen, als in weemoed?
- Zal ik het lezen in een langen blik,
- het hooren in de daling uwer stem?
-
- Ik weet het wèl—het zal mij droevig zijn
- als wie gevangen 't verre zonlicht ziet,
- en tranen zullen komen, daar mijn ziel
- 't geheimnis onzer liefde niet begrijpt.
Uit: Van de Passielooze Lelie, 1901.
- --oOo-- -