Stemming
- De wind waait hoog en kent de mensen niet!
- Hoog wil ik stijgen in de Noordenwind,
- Boven 't gerucht van stemmen—boven 't licht
- Der volle straten en de druk der mensen.
-
- Ik wil ééns vrij zijn, ééns oneindig vrij—
- Dat er geen liefde en lachen voor mij is,
- Geen zachtheid en geen weemoed en geen lust.
- 'k Wil eenzaam stijgen met de Noordenwind,
-
- Die in de kille nacht gestadig waait,
- Groot en onwetend. Stijgend zal ik neerzien,
- Met koude blik en onbewogen mond,
- Op wat voor eeuwig wegzinkt onder mij.
-
- En als de passies, die 'k heb liefgehad,
- Zich aan mijn kleed'ren hechten en 't gezicht
- Met schreien heffen en mij angstig vragen
- Hen niet alleen te laten in de nacht...
-
- Dan zal ik zwijgend hun gekromde handen
- Losmaken van mijn kleed,—en als zij vallen,
- Zal ik niet sidd'ren bij de doffe slag;
- Maar zingend rijzen in de koude nacht!—
- --oOo-- -