De Noordewind
- De wind waait hoog en kent de menschen niet.
- Hoog wil ik stijgen met den Noordewind,
- boven 't gerucht der stemmen—boven 't licht
- der volle straten. Weg! het warm gewoel,
- de weeke druk van menschen om mij heen!
- Ik wil ééns vrij zijn, ééns oneindig vrij,
- dat er geen liefde en lachen om mij is,
- geen zoete stem, geen blik van vrienden-oogen
- geen weekheid en geen weemoed en geen lust.
- 'k Wil eenzaam stijgen in den Noordewind,
- die in den killen nacht gestadig waait
- groot en onwetend.
- Stijgend wil ik neerzien
- met kouden blik en onbewogen mond
- op wat voor eeuwig wegzinkt onder mij.
- En als de passies, die 'k heb liefgehad,
- zich aan mijn kleedren hechten en 't gelaat
- met schreien heffen en mij angstig vragen,
- hen niet alleen te laten in den nacht...
- dan zal ik zwijgend hun gekromde handen
- losmaken van mijn kleed,—en als zij vallen
- zal ik niet sidd'ren bij den doffen slag...
- maar zingend rijzen in den kouden nacht.
Uit: Van de Passielooze Lelie, 1901.
- --oOo-- -