De lente
- Reeds is het statig eiber-paar gekomen
- 't geduldig rijs wringt stil de knoppen los,
- de zoele lente luwt door 't zonnig bosch
- en wiegt mijn geest in weemoeds-zoete droomen.
- Violengeur stijgt op uit vochtig mos,
- een bronzen gloed verjongt de dorre boomen,
- en primula's en dotterbloemen zoomen
- de groene wei met gouden voorjaarsdosch.
- Wat heb ik, milde! naar uw komst gesmacht!
- wat scheen uw toeven lang!—is 't niet mijn leven
- dat door uw donzen adem wordt gewekt?
- Eens zult ge niet meer keeren, als ge trekt,
- des weerziens zaligheid mij niet meer geven
- en grimmig grijnst dan d' eindelooze nacht.
Uit: Van de Passielooze Lelie, 1901.
- --oOo-- -