Het lied der arme klanten
- Wij, zwervelingen, zonder land
- Wij zijn maar arme klanten;
- Wie meer geld hebben dan verstand,
- Die mogen lanterfanten.
- Wij springen hoog en springen laag
- Wij moeten 't loodje leggen;
- Wij dansen met een leege maag…
- De centen die gezeggen.
-
- Van oudsher was de koning baas
- Vanwege onze zonden;
- Nu is hij een houten Klaas,
- En heeft zijn baas gevonden.
- Wie er als kroon of scepter draag
- En louter gouden kleren,
- Al springt hij hoog, al springt hij laag
- De centen die regeren.
-
- Voor 't leger staat de generaal,
- En leert de mensen moorden,
- De dappere helden allemaal,
- Zij vliegen op zijn woorden.
- Toch heeft hij met zijn gouden kraag
- Geen donder te beweren;
- Al springt hij hoog, al springt hij laag,
- De centen commanderen
-
- Wie leidt ons land, waar staat ons dak?
- Wij leven van de gunsten.
- Voor wie maar centen heeft op zak,
- Vertoonen we onze kunsten.
- Maar breken we ten lest den nek,
- Dan kunnen we k wat krijgen
- Een mondje vol, een lekker dek,
- Een hoekje voor ons eigen
Uit: Gedichten, een bloemlezing, 1959.
- --oOo-- -