Booze Droom
- Ik heb, in droom, den ganschen nacht geschreid
- kermend van smart—zooals een kind zou schreien,
- dat men uit plaagzucht 't liefste speelgoed rooft.
-
- Want in dien nacht,—dien langen, zwarten nacht—
- lag er een duistre schaduw op mijn droomen,
- op 't lichte beeld van al wat komen zou—
- het lieve, bonte speelgoed van mijn ziel.
-
- En als een groote, ruwe menschenhand
- die sarrend weghield, wat ik niet kón missen,
- zoo hield de nacht mijn lichte toekomst weg.
- En snikkend in mijn radeloozen angst
- zocht ik 't verloren speelgoed—heel den nacht.
-
- Doch toen de koele, grauwe morgen kwam
- was alles weer als vroeger,—en ik zag
- dat er gespot was met mijn groote smart.
-
- Wie is het, die durft spotten met mijn ziel
- als waar 'k een klein kind?—Lang nog in mijn oogen
- waren de tranen, in dien nacht geschreid.
Uit: Van de Passielooze Lelie, 1901.
- --oOo-- -