Avond in de stad
- De groote stem der stad verstomt
- en de nachtwind die in mijn venster komt
- brengt een vaag en wonderlijk suizen
- als zuchten der slapende huizen.
- Mijn lamp brandt stil en suizelt zacht
- en peinst zijn gepeinzen den langen nacht.
- Ik staar in het heldere branden,
- mijn katje speelt met mijn handen.
- Hoe waren de dagen die verre zijn
- toen mijn haart ontwaakte in den zomerschijn?
- toen de geuren mij wekten der linde?
- toen de kelken knikten der winde?
- Waar heb ik de roze het eerst gegroet,
- de bleeke, die groeit aan der duinen voet?
- Mijn katje speelt in de schaduwwen
- der gordijnen, met ritslende klauwen.
- Zie, bloemen en gras op mijn kleed, mijn boek,
- een meidoorn bloeit in den kamer-hoek,
- zie, bleekroode rozen omringen
- mij rings, en dichte seringen...
- Maar een schaduw valt en alles wijkt.—
- Op de vensterbank zit mijn katje en kijkt
- in de donkere diepte neder,
- zijn staart slingert heen en weder.
- Nu komen van over de zwarte stad,
- nu stijgen op uit het wiegelend nat
- van de kille, duistere grachten,
- de kille, zwarte gedachten.
- Ze zweven zwijgend door 't venster heen,
- op iedere schouder zet zich één,
- op mijn hoofd, mijn borst en mijn brauwen,
- ze drukken met klemmend benauwen.
- En dof hoort mijn oor het vaag gerucht
- der nachtwind die weeklagend zucht,
- de angstige droomen der huizen.
- Mijn lamp blijft peinzend suizen.
Uit: Van de Passielooze Lelie, 1901.
- --oOo-- -