De zomers
- Klaprozen, korenbloemen, barstensvolle
- goudgele aren streelden mijn gezicht.
- Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
- Rood liet het ooft de appelwangen bollen.
-
- Zomernachtdonker is gesmolten licht.
- Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
- Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
- Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.
-
- Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
- Ging dan het paradijs voorgoed verloren
- omdat wij aan de wereld toebehoren?
- Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
- een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
- Daar hebben ze die zomers opgeborgen.
Uit: Au! De rozen bloeien; sonnetten van bedreigd geluk, 1983.
- --oOo-- -