Op vijfenzeventig beesten
Op een aapje
- Een vroegrijp aapje te Wolfheze
- dat erg veel boeken had gelezen
- hing welgemoed aan een liaan
- en bovendien nog Darwin aan
- die meesterwerken had geschapen
- door af te stammen van de apen.
Op een aalscholver
- Aalscholvers denken allemaal:
- “Kun je nog scholven, scholf dan aal.”
- Doch door de golven diep bedolven
- wil weinig aal zich laten scholven.
- Zo scholft zo 'n beest zich uit de naad
- terwijl het woord niet eens bestaat.
Op een bij
- Een bij te Lange Ruige Weide
- bepeinsde op gezette tijden
- gezeten in een honingcel
- het hemels en het aards bestel.
- Bij deze arbeid droeg die bij
- een lange ruige wijde pij.
Op een bij
- Er was een bij te 's Gravenhage
- die antwoord wist op alle vragen.
- Toen men hem moeilijk genoeg
- “Wat was was eer was was was?” vroeg,
- werd hij winnaar van de quiz
- met “Eer was was was was was is”.
Op een bok
- In Siddeburen was een bok
- die machtsverhief en worteltrok
- Die bok heeft onlangs onverschrokken
- de wortel uit zichzelf getrokken
- waarop hij zonder ongerief
- zichzelf weer in 't kwadraat verhief
- maar 't feit waardoor hij voort zal leven
- is dat hij achteraf nog even
- de massa die hem huldigde
- met vijf vermenigvuldigde!
Op een brilslang
- Een dikke brilslang zat parterre
- vooraan in de Folies-Bergère
- 'Van allerhande euvelen'
- —zo hoorde men hem keuvelen—
- 'plaagt de bijziendheid mij het meest.
- Zijn er al doelpunten geweest?'
Op een chow chow
- Toen een chow chow uit Otterlo
- had opgemerkt “Ik stotter zo”,
- deed hij een reisje en kwam vlug
- doch erger stotterend terug
- uit Baden-Baden, waar het beest
- naar een chowchowshow was geweest.
Op een dar
- Een dar in dienst bij de marine
- mag gelden als een zeer geziene.
- De Chef Marinestaf verklaart:
- “Die dar is daarom zoveel waard,
- omdat ik hem bij mistig weer
- als radar in de ra monteer”.
Op vier darren
- Vier dikke darren op een rijtje
- wisten van ieder honingbijtje
- het wat waarom en waar en hoe.
- Daar zaten zij tot walgens toe
- achter hun goedgevulde glazen
- over te darren en te dazen.
Op drie doggen
- Drie Duitse doggen te Wolfheze
- waren uitzonderlijk belezen
- in Nederlandse poëzie
- die de geleerdste van de drie
- en ook van stemgeluid te luidste
- naar 's lands gelegenheid verduitste.
Op een dolfijn
- Voor een dolfijn te Alicante
- was het vertrek van zijne tante
- iets daarom zeer bijzonder droefs
- omdat het met z'n pluchen pousse
- en hangers van geslepen glas
- geheel dauphin de siècle was.
Op een eendagsvlieg
- “Ach,” sprak een eendagsvlieg te Doorn,
- “hoe heerlijk is het ochtendgloren
- en hoe verrukkelijk het uur
- waarop het laaiend zonnevuur
- verstild ter kimme wordt gedreven!
- Men moest twee dagen kunnen leven.”
Op een egel
- Een egel die, gestart te Smilde,
- naar Hindeloopen lopen wilde,
- zeeg halverwege in elkaar
- met een aanmerkelijke blaar.
- “Ach, had ik” hoorde men hem snikken
- “maar iets om die mee door te prikken.”
Op een elft
- Een elft zegt boos: “Op alles wordt
- besnoeid, beknibbeld en bekort.
- Ik, die tot aangenaam verpoos
- te Zevenaar een vijver koos,
- zal straks, je zult het nog beleven,
- een 11 zijn in een 5 te 7.”
Op een geit
- Een geit heeft laatst te Duivendrecht
- Een porseleinen ei gelegd,
- zo sierlijk, dat het zelfs te Sèvres
- beschouwd wordt als 'n oeuf de chèvre.
- "Ik heb al leggend", zegt zij zacht,
- "heel diep aan iets heel moois gedacht"
Op een grasmus
- Te Rotterdam begon een grasmus
- zijn nest te bouwen in Erasmus.
- ‘Hij nestelt goed’, zo sprak het beest,
- ‘hoewel het meeste dat men leest
- van deze Desiderius
- gelijkt op rijst met pere jus.’
Op een haan
- Het schrijven van een liefdesklacht,
- ach mensen, hoeveel uren bracht
- daarmee niet een verliefde haan zoek!
- Maar op zijn ongelezen aanzoek
- schreef zijn geliefde koel en kuis:
- “Houdt u uw hanepoten thuis.”
Op een haan
- Te Emminkhuizen biedt een haan
- zich desgewenst als wekker aan.
- “Mijn veerwerk,” schrijft hij, “is perfect.
- U wordt ruim honderd maal gewekt
- op één gedicht van Trijntje Fop,
- want dat windt mij geweldig op.”
Op een haan
- Een oude haan sprak vol verbazen
- toen hij bij het reveilleblazen
- des morgens vroeg om kwart voor zeven
- een aantal van zijn jongste neven
- door een poelier zag etaleren:
- “Die zijn al erg vroeg uit de veren.”
Op een haan
- Het torenhaantje van Wolfheze
- bleek doodgewoon een haan te wezen
- gevlucht uit Alphen aan den Rijn
- die daar tot het behoud van zijn
- met sappig vlees beklede knoken
- een poosje boven was gedoken.
Op een hinde
- Niet zonder reden, mag men hopen,
- heet Hindeloopen Hindeloopen.
- Want sinds daar op een goede dag
- Een hert een hinde lopen zag
- Verging hij bijna van verdriet
- Dat hij die hinde lopen liet.
Op een hit
- Een hit sprak tot een tweede hit:
- “Mijn zuster die in Ede zit
- is op een zelfbedachte slogan
- voor niets naar Griekenland gevlogen.”
- “Zo, zo,” sprak deze, “dat is dus
- je zogenaamde Pegazus.”
Op twee honden
- Een mop zat samen met een does
- al tien jaar in de trein naar Goes.
- De does sprak midden in het elfde:
- “Het uitzicht blijft maar steeds hetzelfde.”
- “Wat ik je brom,” sprak toen de mop,
- “dit treintje is een treintje fop.”
Op een houtsnip
- Een houtsnip in Tietjerksteradeel,
- een keihard houtindustrieel,
- geeft 't personeel maar zelden vrij,
- zodat hij dan ook woedend zei,
- toen 'n vijftal snippen er om vroeg:
- “Een snip per dag, dat is genoeg!”
Op zes insektjes
- Er liepen op een brug te Bommel
- drie kleine kindjes van een hommel
- en vrolijk stappend aan hun zij
- ook nog drie kindjes van een bij.
- Die kleintjes moesten alle zes
- naar bijles en naar hommelles.
Op een kevertje
- Op een met landbouwgif bespoten
- stuk land liep op zijn laatste poten
- een kevertje van graf tot graf
- al zijn familieleden af.
- Dat deed het arme stakkerdje
- daar op zijn dooie akkertje.
Op een kat
- Een kattige kelner uit Katwijk
- Zei: “'k Ben bang dat ik weer eens wat zat lijk.”
- “'k Heb een kater,” zei hij
- “voor een hond ga 'k opzij
- Maar dacht je dat ik voor een kat wijk?”
Op een kat
- Een hoofdagent te Rilland-Bath
- werd aangesproken door een kat.
- “Meneer,” sprak deze, “dezer dagen
- heeft men de melk weer opgeslagen.
- U krijgt een lekkere sigaar
- wanneer u wilt vertellen waar.”
Op een kat
- Een kat zingt 's avonds te Bolnes
- duetten met een zangeres.
- Bij elke mi van die mevrouw
- geeft dan die kat een mooie au.
- Een mooie, zachte, zuivere,
- waarvan zij zelf moet huiveren.
- Want katten zijn, vooral in maart,
- bijzonder fijn bekattesnaard.
Op een kip
- Een zwarte kip heeft in Schiedam
- een goed belegde boterham,
- zij gaat met eieren langs de deuren
- bij alle stokers van likeuren.
- “Het gaat me,” schept ze op, “niet kwaad:
- mijn nageslacht wordt advocaat!”
Op een kip
- Een hen te Hoenderloo vermoordde
- bezittelijke voornaamwoorden.
- “De hen van hun,” zo sprak het beest,
- “die eerst van hullie is geweest
- rijdt rustig in een tremmetje
- in hem zijn hen haar hemmetje.”
Op een kip
- Een kip was wonend te Westzaan
- al jaren bij haar haan vandaan
- die zich gevestigd had te Vorden
- en pluimveehouder was geworden.
- Zij haatte hem omdat de fielt
- het hield met alles wat hij hield.
Op een kip
- Een kip die onlangs in haar hok
- een klankwerk hoorde van Bartok
- volgde met passende strijkages
- de strijkers in de strijkpassages,
- en bij het slagwerk riep ze blij:
- “Bartok tok tok alweer een ei!”
Op een kip
- Een kip sprak peinzend tot een ei:
- “Wie was er eerder: ik of jij?
- De wijsbegeerte mag misschien
- op deze vraag geen antwoord zien,
- maar ik heb, wat men ook mag zeggen,
- nog nooit een ei een kip zien leggen.”
Op een kip
- Een kip, afkomstig uit Zaandam
- droeg papillotten in haar kam.
- Zij sprak: “Als om die papillotten
- mijn medekippen mij bespotten,
- dan slaat de haan waarvan ik hou
- die kippen kakelbont en blauw.”
- Want ware liefde, kameraden,
- blijkt niet uit woorden, maar uit daden.
Op een konijn
- Bij Noordwijk zwom een nat konijn
- Temidden van een school tonijn
- Tja, sprak het beest, dat tomt er van
- als men de ta niet zeggen tan.
Op twee kuikens
- Twee kuikens, amper uit het ei,
- begaven zich verheugd en blij
- naar diepe duistere gewelven
- alwaar—bezin u op uzelve
- aleer ge hun gebreken hoont—
- een kuikensexfilm werd vertoond.
Op een kwal
- “Helaas,” zegt een bedroefde kwal,
- “de aarde is een tranendal,
- een zee van zuchten en geween.
- Waar zwalpt het blinde lot ons heen?”
- En zelf geeft hij meteen het antwoord:
- “Ik weet het al, we gaan naar Zandvoort!”
(Hoor “
Op een kwal” gezongen door Pieternel van Amelsvoort.)
Op een leeuw
- Een leeuw bracht af en toe uit Ede
- een bosje leeuwebekjes mede
- voor een leeuwin nabij De Steeg
- die dan verlegen werd en zweeg
- hoewel ze geenszins op haar malle
- leeuwinnebekje was gevallen.
Op een leghorn
- Een witte leghorn aan de leg
- zat zomaar naast een zwarte, zeg!
- “Eenieder” sprak zij, “die uw zwartheid
- als argument ziet voor apartheid
- is op zijn gunstigst niet goed snik:
- U legt ze net zo wit als ik.”
Op een groepje maden
- Dit weekend ging een groepje maden
- in Scheveningen pootjebaden
- De welbespraaktste van het stel
- sprak: “Makkers, merken jullie wel?
- Er zijn hier heel wat maden bij
- die made zijn in Germanij.”
Op een mensaap
- Een mensaap legde zich te Stroe
- op de klassieke talen toe.
- Gegrepen door een groot begeren
- de evolutie te forceren
- verboog het beest tot in zijn slaap:
- mensa, mensae, mensae, mensaap.
Op een muis
- De neiging van een muis te Deelen
- gezellig kat en muis te spelen
- wordt dan pas goed begrijpelijk
- wanneer wij daarbij rijpelijk
- in overweging nemen dat
- de muis dan speelde voor de kat.
Op een muis
- Een musisch muisje hield te Ede
- een musseveertje vast waarmede
- het schreef: “O volk dat ik bemin,
- gun mij een piepklein plaatsje in
- het grote Muizoleum van de
- Literatuur der Lage Landen.”
Op een orang oetan
- Een orang oetan werd te Ede
- haast door een auto overreden.
- Het beest sprak enigszins verbaasd:
- “Die heer die daar de hoek om raast,
- al heeft hij dan zijn goeie goed an,
- is regelrecht een voorrang oetan.”
Op een paard
- Een paard gekleed in carnavaljas
- zong schril het smartlied uit de Paljas.
- Zijn klacht kwam over de Moerdijk
- tot binnen Haags gehoorbereik.
- “Wat zingt,” sprak daar minister Cals,
- “dat carnavalje carnavals.”
Op twee padden
- Twee padden hadden te Maasbracht
- een soort van circustoer bedacht.
- De eerste pad zat op de tweede
- door wie een rijwiel werd bereden
- en riep luidruchtig door de stad:
- “Ik rijd hier op een rijwielpad.”
Op een pterodactylus
- Een pterodactylus te Chaam
- gaf alles een Latijnse naam.
- Als er bijvoorbeeld in de tram
- een schipperskeesje binnenkwam
- dan sprak die pterodactulus:
- “Compactum Neropactylus.”
Op een schimmelpaard
- Het schimmelpaard van Sinterklaas
- ontmoette plotseling zijn baas.
- “Ik ben,” zo sprak de Sint beknopt,
- “per vliegtuig uit de lucht gedropt.”
- “Dat dacht ik al,” sprak toen dat paard,
- “U hebt een droplucht aan uw baard.”
Op twee slakken
- Twee slakken waren al sinds jaren
- op weg van Groningen naar Haren.
- Tenslotte kwam geheel ontdaan,
- de oudste aan het eindpunt aan.
- Hij slikte en sprak diep bewogen:
- ‘Mijn broer is uit de bocht gevlogen.’
Op een spreeuw
- Een rupsenzamelende spreeuw
- vloog door het keelgat van een leeuw.
- 'Ik hoop', zo sprak het beest benauwd,
- 'dat deze leeuw van rupsen houdt.'
- Leert, kinders, dit van deze spreeuw:
- Humor is lachen in een leeuw.
Op een varken
- Een vies vet varkentje uit Sluis
- voelt zich in troebel water thuis,
- Naar Zuid-Amerika gegaan
- trok hem de politiek daar aan.
- Hij heeft gezwijnd, de sluwe vent:
- thans is hij vieze- president.
Op een veelvraat
- Een veelvraat heeft een goed recept
- Voor als u erge honger hebt:
- Neem een zes gesmeerde broodjes nier
- En eentje met carbonpapier.
- Gewoonlijk is het zevende
- Dan wel de doorslaggevende.
Op een woerd
- “Den Haag,” zo zegt een woerd, “is blijkbaar
- per trein uit Utrecht onbereikbaar,
- Want telkens als ik het probeer
- begint een goudgebiesde heer
- zijn longen vol met lucht te happen
- en roept dan: ‘Woerden overstappen!’ ”
Op een ijsbeer
- Een ijsbeer beerde zoveel ijs
- dat het ging vriezen in Parijs.
- In Barcelona en Madrid
- werden de sinaasappels wit.
- Twee kostschoolmeisjes te Misore
- zijn aan hun banken vastgevroren,
- en ook een knaapje op Ceylon
- dat zijn grammatica niet kon.
- Leert vlijtig jongens dus en meisjes,
- En eet vooral niet zoveel ijsjes.
Op twee zalmen
- Twee zalmen hebben te Herwijnen
- een lijvig boekwerk doen verschijnen
- dat volgens dr Heineman
- bedoeld is om het fijne van
- de wereldtoestand uit te leggen.
- Het heet: Watzalmenervanzeggen.
Op een zeeleeuw
- Een zeeleeuw aan de Côte d' Azur
- jongleerde elke dag een uur.
- “En wat,” vroeg een verbaasde geit,
- “is daarvan nu de aardigheid?”
- “Men moet,” zo sprak die zeeleeuw toen,
- “jongleren om het oud te doen.”
Op een zijderups
- De zijderupsenbond te Ede
- betoogde voor de wereldvrede.
- Met zijden doeken liep men rond
- waarop de leus geschreven stond:
- Leve de vrede, want het leger
- kost geld en draagt alleen maar Jæger.
- --oOo-- -