Op negenennegentig beesten

Bundel uit 1988.
Het bekendste werk van Kees Stip is ongetwijfeld zijn verzameling korte dierenversjes, die hij publiceerde onder het pseudoniem Trijntje Fop, een naam ontleend aan de Ideeën van Multatuli. De eerste Trijntje Fop verscheen in 1951 in de Volkskrant. Er zouden er honderden volgen. Ook andere woordkunstenaars zouden later het genre beproeven, maar Stips spitsvondigheid is zelden geëvenaard. De kenmerken zijn de vormvastheid in het gepaard rijm en het metrum, het noemen van een of meer dieren met menselijke trekken in de traditie van Aesopus en La Fontaine en een aardrijkskundige naam, meestal in de eerste regel, en het spel met de taal in woord- en rijmgrappen. De oudste gedichten hebben vaak nog een afsluitende moraal: Kinders, ...
Op deze pagina wordt een selectie van hoogtepunten bewaard. Op achtenzestig beesten is een geografische aanduiding van toepassing, zoals in kaart gebracht bij Google Maps en Earth in een slecht geslaagde poging om het overzicht te behouden. De bekendste Trijntje Fop is wellicht de bok van Siddeburen of de wijsgerige kip die peinzend tot een ei sprak.
Op naar Trijntje Fop:
Op een aal
- Een aal die bij diverse bieren
- het oude jaar had zitten vieren
- werd, toen hij na een warme prak
- de hoofdverkeersweg overstak
- om daar het nieuwe in te halen,
- opeens verdeeld in vier kwart-alen.
Op een aalscholver
- Aalscholvers denken allemaal:
- “Kun je nog scholven, scholf dan aal.”
- Doch door de golven diep bedolven
- wil weinig aal zich laten scholven.
- Zo scholft zo 'n beest zich uit de naad
- terwijl het woord niet eens bestaat.
Op een aapje
- Een vroegrijp aapje te Wolfheze
- dat erg veel boeken had gelezen
- hing welgemoed aan een liaan
- en bovendien nog Darwin aan
- die meesterwerken had geschapen
- door af te stammen van de apen.
Op een bij
- Een bij te Lange Ruige Weide
- bepeinsde op gezette tijden
- gezeten in een honingcel
- het hemels en het aards bestel.
- Bij deze arbeid droeg die bij
- een lange ruige wijde pij.
Op een bij
- Er was een bij te 's Gravenhage
- die antwoord wist op alle vragen.
- Toen men hem moeilijk genoeg
- “Wat was was eer was was was?” vroeg,
- werd hij winnaar van de quiz
- met “Eer was was was was was is.”
Engelse vertaling:
On a bee
- A clever bee, one of Belfast,
- Had answers to whatever one asked.
- He was the smartest one, because
- When asked what was was ere was was was
- He lost no time and won the quiz
- By answering “Ere was was was, was was is.”
Duitse vertaling:
Auf eine Biene
- Es lebte einmal eine Biene in Hagen,
- die antworten konnte auf jegliche Fragen.
- Die wohl Schwierigste bei einem Quiz—ganz klar—
- war: Was war war bevor war war war?
- Sie wusste auch dies und gewann ohne List:
- “Bevor war war war, war war bin oder ist!”
Op een boekenwurm
- Een boekenwurm te Oudeschans,
- bewonderaar van streekromans,
- schreef aan een romancier te Schagen:
- “Geachte heer, reeds vele dagen
- verkwik ik als aan zoete koek
- mij aan uw veelgegeten boek.”
Aan de Oudeweg te Siddeburen werd in 1978 een hardstenen bok van beeldhouwer Anton van Dijk onthuld met dit gedicht op de sokkel. Later is het verplaatst naar de
Poststraat.

Op een bok
- In Siddeburen was een bok
- die machtsverhief en worteltrok.
- Die bok heeft onlangs onverschrokken
- de wortel uit zichzelf getrokken,
- waarop hij zonder ongerief
- zichzelf weer in 't kwadraat verhief.
- maar 't feit waardoor hij voort zal leven
- is dat hij achteraf nog even
- de massa die hem huldigde
- met vijf vermenigvuldigde.
Op een braamsluiper
- De werken van mevrouw Sagan
- zijn door een braamsluiper te Caen
- met zoveel aandacht doorgelezen
- dat deze in zijn diepste wezen
- een droevig uiterst introvert
- aimez-vous-Brahmsluipertje werd.
Op een brilslang
- Een dikke brilslang zat parterre
- vooraan in de Folies-Bergère.
- “Van allerhande euvelen”
- —zo hoorde men hem keuvelen—
- “plaagt de bijziendheid mij het meest.
- Zijn er al doelpunten geweest?”
Op een chow chow
- Toen een chow chow uit Otterlo
- had opgemerkt “Ik stotter zo,”
- deed hij een reisje en kwam vlug
- doch erger stotterend terug
- uit Baden-Baden, waar het beest
- naar een chowchowshow was geweest.
Op een dar
- Een dar in dienst bij de marine
- mag gelden als een zeer geziene.
- De Chef Marinestaf verklaart:
- “Die dar is daarom zoveel waard,
- omdat ik hem bij mistig weer
- als radar in de ra monteer.”
Op vier darren
- Vier dikke darren op een rijtje
- wisten van ieder honingbijtje
- het wat waarom en waar en hoe.
- Daar zaten zij tot walgens toe
- achter hun goedgevulde glazen
- over te darren en te dazen.
Op drie doggen
- Drie Duitse doggen te Wolfheze
- waren uitzonderlijk belezen
- in Nederlandse poëzie
- die de geleerdste van de drie
- en ook van stemgeluid te luidste
- naar 's lands gelegenheid verduitste.
Op een dolfijn
- Voor een dolfijn te Alicante
- was het vertrek van zijne tante
- iets daarom zeer bijzonder droefs
- omdat het met z'n pluchen pousse
- en hangers van geslepen glas
- geheel dauphin de siècle was.
Op een eend
- Een eend die bij Pythagoras
- de leer der zielsverhuizing las
- schreef aan zijn achternicht te Strijp
- “Als ik 's mans stelling goed begrijp
- dan zegt hij, maar hij zegt het mooier:
- wie dood is wordt voortdurend dooier.”
Op een eendagsvlieg
- “Ach,” sprak een eendagsvlieg te Doorn,
- “hoe heerlijk is het ochtendgloren
- en hoe verrukkelijk het uur
- waarop het laaiend zonnevuur
- verstild ter kimme wordt gedreven!
- Men moest twee dagen kunnen leven.”
Op een egel
- Een egel die, gestart te Smilde,
- naar Hindeloopen lopen wilde,
- zeeg halverwege in elkaar
- met een aanmerkelijke blaar.
- “Ach, had ik” hoorde men hem snikken
- “maar iets om die mee door te prikken.”
Op een elft
- Een elft zegt boos: “Op alles wordt
- besnoeid, beknibbeld en bekort.
- Ik, die tot aangenaam verpoos
- te Zevenaar een vijver koos,
- zal straks, je zult het nog beleven,
- een 11 zijn in een 5 te 7.”
Op een ezel
- Een ezel sprak laatst in de Koog:
- “De splinters in ons eigen oog
- Zijn balken in eenanders ogen.”
- Zijn zuster sprak toen onbewogen:
- “Dat heeft dan altijd nog iets voor
- Op balken in eenanders oor.”
Op een geit
- Een geit heeft laatst te Duivendrecht
- Een porseleinen ei gelegd,
- zo sierlijk, dat het zelfs te Sèvres
- beschouwd wordt als 'n oeuf de chèvre.
- “Ik heb al leggend,” zegt zij zacht,
- “heel diep aan iets heel moois gedacht.”
Op een gier
- Een gier, Giraldo Giacometti,
- zong aria's van Donizetti
- terwijl een groepje lammeren
- daar zacht bij zat te jammeren.
- “Wij zingen samen,” sprak het dier,
- “de Lucia di Lammergier.”
Op een glimworm
- Een glimworm zat met zeven neven
- in de Stadsschouwburg licht te geven.
- De jongste, nog wat zwak van stroom,
- Vroeg: “Waarvoor doen we dat nou, oom?”
- Toen sprak de helderste van kop:
- “Wij voeren de Electra op.”
Op een grasmus
- Te Rotterdam begon een grasmus
- zijn nest te bouwen in Erasmus.
- “Hij nestelt goed,” zo sprak het beest,
- “hoewel het meeste dat men leest
- van deze Desiderius
- gelijkt op rijst met pere jus.”
Op een gup
- De sportsman, die, 't zij jong of oud,
- van voetballen en vissen houdt
- dient nooit het gupje te vergeten
- dat naast het voetbalveld gezeten
- tot steun van zijn geliefde club
- voortdurend riep: “Gup Golland, gup!”
Op een haan
- Het schrijven van een liefdesklacht,
- ach mensen, hoeveel uren bracht
- daarmee niet een verliefde haan zoek!
- Maar op zijn ongelezen aanzoek
- schreef zijn geliefde koel en kuis:
- “Houdt u uw hanepoten thuis.”
Op een haan
- Te Emminkhuizen biedt een haan
- zich desgewenst als wekker aan.
- “Mijn veerwerk,” schrijft hij, “is perfect.
- U wordt ruim honderd maal gewekt
- op één gedicht van Trijntje Fop,
- want dat windt mij geweldig op.”
Op een haan
- Een oude haan sprak vol verbazen
- toen hij bij het reveilleblazen
- des morgens vroeg om kwart voor zeven
- een aantal van zijn jongste neven
- door een poelier zag etaleren:
- “Die zijn al erg vroeg uit de veren.”
Op een haan
- Het torenhaantje van Wolfheze
- bleek doodgewoon een haan te wezen
- gevlucht uit Alphen aan den Rijn
- die daar tot het behoud van zijn
- met sappig vlees beklede knoken
- een poosje boven was gedoken.
Op een haring
- Een nieuwe haring sprak te Dordt:
- “Ik denk dat ik geen oude word.”
Op een hen
- Een hen te Hoenderloo vermoordde
- bezittelijke voornaamwoorden.
- “De hen van hun,” zo sprak het beest,
- “die eerst van hullie is geweest
- rijdt rustig in een tremmetje
- in hem zijn hen haar hemmetje.”
Op een hinde
- Niet zonder reden, mag men hopen,
- heet Hindeloopen Hindeloopen.
- Want sinds daar op een goede dag
- Een hert een hinde lopen zag
- Verging hij bijna van verdriet
- Dat hij die hinde lopen liet.
Op een hit
- Een hit sprak tot een tweede hit:
- “Mijn zuster die in Ede zit
- is op een zelfbedachte slogan
- voor niets naar Griekenland gevlogen.”
- “Zo, zo,” sprak deze, “dat is dus
- je zogenaamde Pegazus.”
Op twee honden
- Een mop zat samen met een does
- al tien jaar in de trein naar Goes.
- De does sprak midden in het elfde:
- “Het uitzicht blijft maar steeds hetzelfde.”
- “Wat ik je brom,” sprak toen de mop,
- “dit treintje is een treintje fop.”
Op een houtsnip
- Een houtsnip sprak: “Ik kan nog snappen
- dat alle obers ginnegappen
- als ik mijn synoniem bestel.
- Maar onwellevend is het wel
- om luidkeels tot de kok te kwelen:
- een halve houtsnip voor een hele!”
Op een houtsnip
- Een houtsnip in Tietjerksteradeel,
- een keihard houtindustrieel,
- geeft 't personeel maar zelden vrij,
- zodat hij dan ook woedend zei,
- toen 'n vijftal snippen er om vroeg:
- “Een snip per dag, dat is genoeg!”
Op een huismuis
- Een kleine huismuis aan de Maas
- hield niet van Nederlandse kaas.
- Was het geen Camembert of Brie
- dan huilde hij een dag of drie
- totdat zijn moeder zei: “Mon cher,
- hou op met je gecamemblèr.”
Op zes insektjes
- Er liepen op een brug te Bommel
- drie kleine kindjes van een hommel
- en vrolijk stappend aan hun zij
- ook nog drie kindjes van een bij.
- Die kleintjes moesten alle zes
- naar bijles en naar hommelles.
Op een jaguar
- Tegen zijn tante te Sluiskil
- die hem precies van 1 april
- tot aan de pluktijd van de penen
- haar arreslede uit wou lenen
- verklaarde laatst een jaguar:
- “Des winters wil ik graguar.”
Op een kat
- Een kattige kelner uit Katwijk
- Zei: “ 'k Ben bang dat ik weer eens wat zat lijk.”
- “ 'k Heb een kater,” zei hij
- “voor een hond ga 'k opzij
- Maar dacht je dat ik voor een kat wijk?”
Op een kat
- Een hoofdagent te Rilland-Bath
- werd aangesproken door een kat.
- “Meneer,” sprak deze, “dezer dagen
- heeft men de melk weer opgeslagen.
- U krijgt een lekkere sigaar
- wanneer u wilt vertellen waar.”
Op een kat
- Een kat zingt 's avonds te Bolnes
- duetten met een zangeres.
- Bij elke mi van die mevrouw
- geeft dan die kat een mooie au.
- Een mooie, zachte, zuivere,
- waarvan zij zelf moet huiveren.
- Want katten zijn, vooral in maart,
- bijzonder fijn bekattesnaard.
Op een kevertje
- Op een met landbouwgif bespoten
- stuk land liep op zijn laatste poten
- een kevertje van graf tot graf
- al zijn familieleden af.
- Dat deed het arme stakkerdje
- daar op zijn dooie akkertje.
Op een kip
- Een zwarte kip heeft in Schiedam
- een goed belegde boterham,
- zij gaat met eieren langs de deuren
- bij alle stokers van likeuren.
- “Het gaat me,” schept ze op, “niet kwaad:
- mijn nageslacht wordt advocaat!”
Op een kip
- Een kip was wonend te Westzaan
- al jaren bij haar haan vandaan
- die zich gevestigd had te Vorden
- en pluimveehouder was geworden.
- Zij haatte hem omdat de fielt
- het hield met alles wat hij hield.
Op een kip
- Een kip die onlangs in haar hok
- een klankwerk hoorde van Bartok
- volgde met passende strijkages
- de strijkers in de strijkpassages,
- en bij het slagwerk riep ze blij:
- “Bartok tok tok alweer een ei!”
Op een kip
- Een kip sprak peinzend tot een ei:
- “Wie was er eerder: ik of jij?
- De wijsbegeerte mag misschien
- op deze vraag geen antwoord zien,
- maar ik heb, wat men ook mag zeggen,
- nog nooit een ei een kip zien leggen.”
Op een kip
Hoor
Op een kip gezongen door Pieternel van Amelsvoort.
- Een kip, afkomstig uit Zaandam
- droeg papillotten in haar kam.
- Zij sprak: “Als om die papillotten
- mijn medekippen mij bespotten,
- dan slaat de haan waarvan ik hou
- die kippen kakelbont en blauw.”
-
- Want ware liefde, kameraden,
- blijkt niet uit woorden, maar uit daden.
Op een konijn
- Bij Noordwijk zwom een nat konijn
- Temidden van een school tonijn
- Tja, sprak het beest, dat tomt er van
- als men de ta niet zeggen tan.
Op een kreeft
- Een kreeft spreekt af en toe spontaan
- een van zijn eigen scharen aan.
- Hij brengt zijn mond dan ver naar voren
- en fluistert zacht, voor vreemde oren
- ternauwernood beluisterbaar:
- “Gegroet, geachte luisterschaar!”
Op twee kuikens
- Twee kuikens, amper uit het ei,
- begaven zich verheugd en blij
- naar diepe duistere gewelven
- alwaar—bezin u op uzelve
- aleer ge hun gebreken hoont—
- een kuikensexfilm werd vertoond.
Op een kwal
Hoor
Op een kwal gezongen door Pieternel van Amelsvoort.
- “Helaas,” zegt een bedroefde kwal,
- “de aarde is een tranendal,
- een zee van zuchten en geween.
- Waar zwalpt het blinde lot ons heen?”
- En zelf geeft hij meteen het antwoord:
- “Ik weet het al, we gaan naar Zandvoort!”
Op een leeuw
- Een leeuw gaf dagelijks te Velp
- instructie aan zijn jongste welp.
- “Houd,” sprak hij, “in je rechterhand
- een lange lat omhoog geplant,
- een bos asperges in je linker;
- je tong naar buiten, dat staat flinker.
- En als je nu rechtop leert slapen
- dan kom je later in een wapen.”
Op een leeuw
- Een leeuw bracht af en toe uit Ede
- een bosje leeuwebekjes mede
- voor een leeuwin nabij De Steeg
- die dan verlegen werd en zweeg
- hoewel ze geenszins op haar malle
- leeuwinnebekje was gevallen.
Op een leghorn
- Een witte leghorn aan de leg
- zat zomaar naast een zwarte, zeg!
- “Eenieder” sprak zij, “die uw zwartheid
- als argument ziet voor apartheid
- is op zijn gunstigst niet goed snik:
- U legt ze net zo wit als ik.”
Op een luiaard
- Een sterke luiaard en een zwakke
- hingen te hangen aan hun takken.
- “Ik bied u,” sprak de zwakke zacht,
- “een optie op Uw arbeidskracht.”
- “Ik wil geen optie,” sprak de sterke,
- “omdat ik optie tegen werken.”
Op een groepje maden
- Dit weekend ging een groepje maden
- in Scheveningen pootjebaden.
- De welbespraaktste van het stel
- sprak: “Makkers, merken jullie wel?
- Er zijn hier heel wat maden bij
- die made zijn in Germanij.”
Op een meeuw
- Een burgermeestermeeuw te A.
- ging zijn gemeentekas eens na.
- Hij riep zijn secretarisvogel
- en vroeg: “Mijnheer, hoe is het mogel...?”
- Doch midden in dit woord is deze
- per sneltrein naar Parijs gerezen.
-
- Kinders, weest eerlijk en weest wijs,
- dan hoeft gij nimmer naar Parijs.
Op een mensaap
- Een mensaap legde zich te Stroe
- op de klassieke talen toe.
- Gegrepen door een groot begeren
- de evolutie te forceren
- verboog het beest tot in zijn slaap:
- mensa, mensae, mensae, mensaap.
Op een muis
- Een mier verlangde naar het uur
- dat hij gezeten bij het vuur
- Homerus lezen zou en Dante.
- Zijn vrouw, een nogal ruwe tante,
- sloeg echter reeds bij het begin
- zijn mierenhoop de bodem in.
Op een muis
- De neiging van een muis te Deelen
- gezellig kat en muis te spelen
- wordt dan pas goed begrijpelijk
- wanneer wij daarbij rijpelijk
- in overweging nemen dat
- de muis dan speelde voor de kat.
Op een muis
- Een musisch muisje hield te Ede
- een musseveertje vast waarmede
- het schreef: “O volk dat ik bemin,
- gun mij een piepklein plaatsje in
- het grote Muizoleum van de
- Literatuur der Lage Landen.”
Op een muis
- Een muis, op zoek naar kruimels kaas,
- kroop in de baard van Sinterklaas.
- “Wel eerder,” sprak de Sint bedaard
- “werd door een berg een muis gebaard.
- Maar dit is wonderlijk, bij Zeus:
- hier bergt zowaar een baard een muis.”
Op een orang oetan
- Een orang oetan werd te Ede
- haast door een auto overreden.
- Het beest sprak enigszins verbaasd:
- “Die heer die daar de hoek om raast,
- al heeft hij dan zijn goeie goed an,
- is regelrecht een voorrang oetan.”
Op een os
- “Boer Bos,” zo sprak een os devoot,
- “heeft dertig ossen en is dood.
- Hij kocht, gekweld door knokkelpijnen,
- een grote doos met medicijnen.
- Daarbinnenin las toen boer Bos:
- 'Neem elk uur 1 tablet per os'.”
Op een paard
- Een paard gekleed in carnavaljas
- zong schril het smartlied uit de Paljas.
- Zijn klacht kwam over de Moerdijk
- tot binnen Haags gehoorbereik.
- “Wat zingt,” sprak daar minister Cals,
- “dat carnavalje carnavals.”
Op twee padden
- Twee padden hadden te Maasbracht
- een soort van circustoer bedacht.
- De eerste pad zat op de tweede
- door wie een rijwiel werd bereden
- en riep luidruchtig door de stad:
- “Ik rijd hier op een rijwielpad.”
Op een pterodactylus
- Een pterodactylus te Chaam
- gaf alles een Latijnse naam.
- Als er bijvoorbeeld in de tram
- een schipperskeesje binnenkwam
- dan sprak die pterodactylus:
- “Compactum Neropactylus.”
Op een rinoceros
- Een jeugdige rinoceros
- brak ongemerkt uit Artis los
- en sjokte toen, vermomd als heer,
- de Nieuwendijk wat op en neer.
- Aldaar ontdekte kleine Moos 'm
- en riep “Kijk nou es, een rinozem.”
Op een schaap
- Een schaap te Schagen sprong, hoe gek,
- de hele nacht over een hek.
- “Want ziet u,” sprak het tot twee herten,
- “wellicht ligt ergens in de verte
- door zorg en kommer zwaar gekweld
- Een slapeloze, die mij telt.”
Op een schimmelpaard
- Het schimmelpaard van Sinterklaas
- ontmoette plotseling zijn baas.
- “Ik ben,” zo sprak de Sint beknopt,
- “per vliegtuig uit de lucht gedropt.”
- “Dat dacht ik al,” sprak toen dat paard,
- “U hebt een droplucht aan uw baard.”
Op twee slakken
- Twee slakken waren al sinds jaren
- op weg van Groningen naar Haren.
- Tenslotte kwam geheel ontdaan,
- de oudste aan het eindpunt aan.
- Hij slikte en sprak diep bewogen:
- ‘Mijn broer is uit de bocht gevlogen.’
Op een spreeuw
- Een rupsenzamelende spreeuw
- vloog door het keelgat van een leeuw.
- “Ik hoop,” zo sprak het beest benauwd,
- “dat deze leeuw van rupsen houdt.”
-
- Leert, kinders, dit van deze spreeuw:
- Humor is lachen in een leeuw.
Op een trekhond
- De drang te trekken en toch fijn
- niet al te ver van huis te zijn
- kwam bij een trekhond te Maasbracht
- het sterkst naar voren in de kracht
- waarmee hij elke dag zijn hok
- en uiteraard de aandacht trok.
Op een varken
- Een vies vet varkentje uit Sluis
- voelt zich in troebel water thuis,
- Naar Zuid-Amerika gegaan
- trok hem de politiek daar aan.
- Hij heeft gezwijnd, de sluwe vent:
- thans is hij vieze-president.
Op een veelvraat
- Een veelvraat heeft een goed recept
- Voor als u erge honger hebt:
- Neem zes gesmeerde broodjes nier
- En eentje met carbonpapier.
- Gewoonlijk is het zevende
- Dan wel de doorslaggevende.
Op een woerd
- “Den Haag,” zo zegt een woerd, “is blijkbaar
- per trein uit Utrecht onbereikbaar,
- Want telkens als ik het probeer
- begint een goudgebiesde heer
- zijn longen vol met lucht te happen
- en roept dan: ‘Woerden overstappen!’ ”
Op een ijsbeer
- Een ijsbeer beerde zoveel ijs
- dat het ging vriezen in Parijs.
- In Barcelona en Madrid
- werden de sinaasappels wit.
- Twee kostschoolmeisjes te Misore
- zijn aan hun banken vastgevroren,
- en ook een knaapje op Ceylon
- dat zijn grammatica niet kon.
-
- Leert vlijtig jongens dus en meisjes,
- En eet vooral niet zoveel ijsjes.
Op twee zalmen
- Twee zalmen hebben te Herwijnen
- een lijvig boekwerk doen verschijnen
- dat volgens dr Heineman
- bedoeld is om het fijne van
- de wereldtoestand uit te leggen.
- Het heet: Watzalmenervanzeggen.
Op een zeeleeuw
- Een zeeleeuw aan de Côte d' Azur
- jongleerde elke dag een uur.
- “En wat,” vroeg een verbaasde geit,
- “is daarvan nu de aardigheid?”
- “Men moet,” zo sprak die zeeleeuw toen,
- “jongleren om het oud te doen.”
Op een zijderups
- De zijderupsenbond te Ede
- betoogde voor de wereldvrede.
- Met zijden doeken liep men rond
- waarop de leus geschreven stond:
- Leve de vrede, want het leger
- kost geld en draagt alleen maar Jæger.
Op een zwijn
- Een zwijn ging met zijn ome Joop
- gezellig naar de bioscoop.
- Doch toen zijn neef hem heel benepen
- met een parketplaats af wou schepen
- sprak oom bedaard doch diep gegriefd:
- “Twee zwijnestalles alstublieft!”
- --oOo-- -