Twee muizen
(Een fabel)
Naar Jan Prins
- Twee muizen, zwaar verliefd van zinnen
- werden door ouderlijk verbod
- belet om openlijk te minnen.
- Doch daar een speling van het lot
- beschikt had dat zij buren waren,
- lieten ze in schijn hun liefde varen,
- en hebben in 't geheim zich tot
- den tusschenmuur gewend, die op hun klagen
- bereid blijkt, zelf van steen, een steentje bij te dragen.
- Helaas, die diender dik van huid
- biedt weliswaar hun stemgeluid
- een doortocht, volzinnen en klanken
- bereiken de overzijde, maar
- degenen wie ze hun oorsprong danken
- blijven gescheiden van elkaar.
- Ach liefde liefde, reeds Leander
- en Hero konden bij elkander
- niet komen; naar den diepsten grond
- van 't visschenrijk deedt gij ze zinken,
- zodat zij na den Hellespont
- den zwarten Styx nog moesten drinken.
- Zoo gaat het hier: hun rendez-vous
- helpt beiden naar den Hades toe.
- Zij spreken af bij morgenkoude
- elkaar te ontmoeten op een plek
- waar niemand licht aan denken zoude
- die geen fantast was of een gek:
- een graf verkiezen zij, niet wetend dat
- men binnenkort er voor hunzelven
- nog eentje bij zal moeten delven.
- De minnaar gaat het laatst op pad,
- wat tot gevolg heeft dat de schoone
- als eerste aan 't doel zich komt vertoonen,
- of eigenlijk toch liever tweed;
- een kat die carbonaden eet
- heeft de primeur. Haar kaken, wijd gesperd
- doen 't muisje ik weet niet wat wel duchten.
- Zij laat haar vijandin, bij 't overhaaste vluchten,
- een snorhaar achter als dessert.
- De poes heeft, na met carbonade
- haar buik te hebben volgeladen
- meer uit beleefdheid het present gekeurd.
- De rest is makkelijk te raden.
- Een moord, zoo schijnt het, moet hier zijn gebeurd,
- begaan door een die honger had.
- en die tenslotte voor de raven
- liet liggen wat hij zelf niet at.
- De vrijer, die wat later op komt draven.
- herkent de resten en beseft
- dat het zijn liefje hier betreft,
- en zonder noodeloos te schromen
- heeft hij het leven zich benomen.
- De jonkvrouw vindt het lijk, en zij
- voegt er meteen het hare bij.
- Twee dingen toont ons deze fabel: dat
- men beter ergens anders afgesproken had,
- en verder, dat een muizenleven
- niet klakkeloos mag worden weggegeven.
- 't Is geen bezit, maar leen, slechts tijdelijk beheerd.
- Het sterfelijke lijf werd door de hemelgoden
- tot woonplaats van de onsterfelijke ziel geboden,
- gelijk reeds Plaatoon ons in zijn Timaaios leert.
- --oOo-- -