Het hart
- Het was in de vakantie en ik kwam
- —een buitenjongen met te rode kleuren—
- gewoon de grote stad eens even keuren.
- Opzij, opzij, een hart in vuur en vlam.
-
- Natuurlijk kon het iedereen gebeuren,
- maar mij gebeurde het, ik schrok me lam.
- Tussen de Jodenbreestraat en de Dam
- hoorde ik de brandweer al de hoek om scheuren.
-
- Een binnenbrandje zonder rook of roet.
- Toch speelde de verbeelding mij geen parten,
- want honderdduizend even warme harten
- die daar toen klopten stonden evengoed
- voor Mokum in niet minder lichte laaie.
- Hun as is later over komen waaien.
Uit: Lachen in een leeuw - Verzamelde gedichten, 1993.
- --oOo-- -