Zwanezang
- Is ’t waar dat ik, in langvervlogen dagen,
- Geloofde in dromen en een dichter was?
- Dat jonge meisjes met mijn verzen lagen
- Zich te verzadigen, eenzaam in ’t hoge gras?
- Waarom wil geen mij, eenzaam nu, hergeven
- Wat van de liefde, aan hun bloei verloren?
- Nu ik verminderd ben, na zoveel leven
- Nog zelfs niet zeggen kan: ik ben geboren.
- Is de vervoering in hen opgegaan,
- Die, eens een weelde, mij verwoestend was?
- Ook de engelen die ijl en ver bestaan
- Zijn onbereikbaar voor ’t gebannen ras,
- Dat ze verwekt heeft in verkeer met geesten
- En in volmaakte schoonheid heen liet gaan,
- De goden tot genot. Zij zijn voor ons geweest, en
- Nu gelukzalig en zien ons niet aan.
Uit: Serenade III.
- --oOo-- -