De ontdekker
- Hij had het land waarvoor hij scheepging lief,
- Lief, als een vrouw ’t verborgen komende.
- Er diep aan denkend stond hij droomende
- Voor op de plecht en als de boeg zich hief
- Was ’t hem te moede of ’t zich reeds bewoog
- Onder de verten, waarin ’t sluimerde,
- Terwijl ’t schip, door de waterscheiding schuimende,
- Op de aanbrekende geboort’ toevloog.
- Maar toen het lag ontdekt, leek het verraad.
- Geen stille onzichtbre streng verbond hen tweeën.
- Hij wilde ’t weer verheimlijken—te laat:
- Het lag voor allen bloot. Hem bleef geen raad
- Dan voort te varen, doelloos, desolaat
- En zonder drift—leeg, over leege zeeën.
Uit: Een eerlijk zeemansgraf, Verzamelde Gedichten.
- --oOo-- -