De ontdekker
- De rustigen die mij tartten te vertrekken
- Heb ik om 't schip te krijgen woest beloofd
- Rijkdommen fabelachtig te ontdekken,
- Waarvoor ik ingestaan heb met mijn hoofd,
-
- En eindlijk in triomftocht aangebracht.
- Tot zinkens toe geladen lag mijn vloot.
- Wel waren bijna al mijn mannen dood,
- Maar alle havensteden bont bevlagd.
-
- Toen moest ik knielen voor den gouden troon.
- De koning boog en wilde mij een keten
- Omhangen—die ik hem met wilden hoon
- Ontrukt heb en een hoovling toegesmeten.
-
- Nu heeft een vrouw mij innig vroom omhelsd,
- En in haar grijze ogen zag 'k mijn vrede.
- Ik neeg—maar in mij brandde toch het felst
- 't Vuur dat mij voorschrijft buiten rust en rede.
-
- En haastig heb ik mij weer ingescheept,
- Zeker van een ontdekking, anders groots,
- Maar ben door onweerstaanbaar drift gesleept
- Naar zeeën leeg en kusten steil en doods.
-
- Nimmer belijd ik mijn dwaling, mijn zwak.
- Voor dezen blinden muur zal 'k blijven kruisen
- Tot 't eind der wereld met mijn trouwe wrak,
- Waarop drie kale masten: galgen? kruisen?
Uit: Eldorado, 1928.
- --oOo-- -