‘There is some system in his madness.’
Dit verhaal staat gelijk met een akte van beschuldiging waarop maar één
vonnis kan worden uitgesproken: schuldig, veroordeeld tot de doodstraf,
en, in een land waar ze nog bestaan, tot alle folteringen die zijn uitgedacht
om bekentenis af te dwingen. Want men zal denken dat ik niet alles heb beleden
en méér willen weten. Jammer genoeg voor de nieuwsgierigheid
der mensen en vooral voor hun rechtsgevoel, hun dorst naar wraak op de misdadiger
die anders is dan zij, die deed wat zij in geen duizend jaren voor een duizendste
zouden durven, ben ik straffeloos ver buiten het bereik der aardse gerechtigheid
en kan mij niets vreselijkers overkomen dan ik reeds beleefde. Ook hiernamaals
niet. Als ik De Hel lees, lach ik en denk aan een gruwelkamer.
Ook ik had een Beatrice. En ik was lang geen Dante. Ik stelde mij dan ook
niet tevreden haar op een afstand te vereren. Ik bezat haar en verliet haar,
zonder reden, ten prooi aan ellende. Zij was schoon en zuiver als de azuren
hemel, die men ook met een oogopslag kent. Zij verveelde mij, zoals het
paradijs, zonder één zonde, één donkere hoek,
mij zou vervelen. Ik verliet haar. Was dit geen doodzonde, die toch voor de wet niet strafbaar is?
Maar de straf werd voltrokken. Later. Ik wist niet meer wat ter wereld te
beginnen. Wat was hierna? Toch ging ik verder, diende mijn land een tijdlang
aan zijn ambassaden en ook dit vervulde mij met weerzin. Toen verbande ik
mijzelf naar Siberië en bevond mij lang in verschillende steden, zonder
reden. Ik kende verdronken officieren en hun dochters die de beschaving
alleen van horen zeggen kenden. En bannelingen. In Omsk was ik alle spoor
verloren, dat wil zeggen: ik wist niet meer waarheen te gaan. Toen brak
de oorlog uit, voor mij een verlossing. Maar dit is geen relaas van mijn
verstrooiingen, dus sla ik de oorlog over en begin weer aan het eind. Toen
het zoeken, zonder te weten waarnaar, weer begon.
*
In de bloedige slag bij Moekden, die het Russische leger meer dan de
helft van zijn officieren kostte, werd ik ook gewond, een bajonetsteek in
de heup. Het was geen wonder, ik had mij meer blootgesteld dan een officier
in de moderne oorlog dat behoeft, al ben ik niet dapper. Vooral een bajonetaanval
vind ik het afschuwelijkste gevecht dat een mens kan ervaren, het denkbeeld
van een steek in de buik doet mij ijzen. Natuurlijk kreeg ik zo mijn wond.
Bij een charge. Ik had als een krab willen lopen.
Ik kon niet verder, bezwijmde, viel op de weke grond, alsof ik verdronk:
mijn leven trok mij voorbij, ik was doodsbenauwd, toch ijl verlicht. Toen
ik bijkwam lag ik op een schokkende ossekar, met een ruw verband. Na een
martelende rit bereikte ons transport het Duitse hospitaal te Bl...w. In
medisch opzicht was het goed. Maar de artsen waren autoritair en vlegelachtig,
de verpleegsters plomp en huichelachtig vriendelijk, zodat ik hunkerde naar
herstel. Ook had ik een haat tegen het gele canaille opgevat, die nog lang
niet was gekoeld. 't Bericht van de vernietiging onzer Oostzeevloot wierp
mij dan ook in een woede-acces, nog verhevigd door de brokken gesprek die
ik opving: Selbstverständlich... geen techniek... als wij eerst tegen
Engeland...
Op een ochtend wandelde ik voor het eerst met een stok in de kleine tuin,
uitrekenend wanneer ik weer valide zou zijn.
Een uitgestoken hand—de hoofdverpleegster—die altijd een lieve
glimlach voor mij had.
“Ik wens u geluk... Port Arthur is gevallen.”
“Geluk?”
“Nu hoeft u niet meer in de oorlog. En: Sie bleiben ruhig hier.”
Zij legde haar hand op mijn schouder... ik liet mijn stok vallen, vluchtte.
Haat tegen Duitsers en Japanners had mij bij de keel. Mijn oppasser pakte
koffers, nam een droschki, ik zat in de trein, mijn wond stak... Dadelijk
na aankomst te Kharbin zocht ik de gouverneur op. Hij ontving mij verbaasd
maar hoffelijk. Toen ik hem verzocht dadelijk weer in dienst te mogen treden,
zag hij naar mijn been, mijn gezicht en schudde het hoofd. Ik nam de houding
aan. Hij wenkte af, greep een brief van zijn tafel: “Staking der vijandelijkheden,
vredesonderhandelingen te Portsmouth. Laten wij hopen op de volgende oorlog.
Dan ben je ook beter. Wees mijn gast.”
Hij was goed, de oude generaal.
En drie weken later zaten wij in de Transsiberische. In Moscou werden wij
als overwinnaars gefêteerd, voelden wij ons verbitterd maar ook getroost—ja, toch wel getroost, behalve 's morgens als wij laat ontwaakten,
's middags als wij lusteloos lazen of speelden.
Op een soiree bij vorst Wr. kwam Alexeï, die ik sedert onze detachering
in Irkoetsk niet meer had ontmoet, met uitgestoken handen op mij toe. Wij
hadden eenmaal twist gehad, om een deerne, geloof ik, of was 't om vals
spel?—wij waren nu doodsvijanden, omdat het duel daar verboden was.
Zijn vrolijk gezicht beduidde dus een jobstijding voor mij.
“Luister,” begon hij dadelijk, mij achter een palm trekkend, maar toch overluid
sprekend, “weet je wat er met N...a is gebeurd?”
“Het interesseert mij niet.”
“Bonne mine à mauvais jeu, mijn waarde. We weten toch allemaal dat
je om haar aan de drank bent gegaan, naar Siberië en in de oorlog.
Zij is eerst de maîtresse geweest van Wr., toen van L., toen van mij.”
“Dat lieg je, schoft!”
“En nu zit ze in een klooster op het eiland Solowezki bij Archangel en komt
er nooit meer uit,” eindigde hij, aan de andere kant van de palm, en verdween.
Ik heb hem die nacht en nog een paar dagen gezocht, maar gaf het toen op
en vergat... misschien heb ik alles ook wel gedroomd, wie weet. Ik speelde
veel, verloor en won soms alles, het bleef gelijk, en na een maand in Moscou
had ik genoeg en ging naar mijn goed, waar ik in geen drie jaar was geweest
en waar niemand meer op mijn terugkeer rekende. De rentmeester kwam mij
met angst tegemoet, ik verlangde de boeken, hij verbleekte.
Ik ging de tuinen door, één wildernis, het bos was voor een
groot deel omgehakt en voor de rest tot de oerstaat teruggekeerd. De boomgaarden
waren uitgeplunderd. De kleine boeren waren uitgemergeld, de grote hadden
zich verrijkt ten koste van de anderen en van mij. De rentmeester liep jammerend
en zich verontschuldigend achter mij aan. Voor een ingestorte hoeve bleef
ik stilstaan, het was alsof de puinhopen nog rookten, ik keerde mij om,
hij was verdwenen. Vergeefs liet ik hem achtervolgen, ik gaf de geplunderden
vrij spel tegen hun onderdrukkers, de rijke hoeven brandden, zware boerenlijven
slingerden aan een doorbuigende tak, de gewrokenen brachten mij een serenade
met brandende takken en hielden gelag in het park, daarna werd het voorgoed
stil. Ik liet in het verwaarloosde huis een paar kamers inrichten, de rest
bleef zoals het was.
De bezoeken van nieuwsgierige landedelen uit de omtrek hielden na een paar
weken op. Daarna doolde ik in de bossen, las in de boeken die familiebezit
waren, viste in de vijver, maar zag overal een gehaat verwrongen spiegelbeeld:
mijzelf Wat moest ik beginnen? Soms dwalende over de heide benijdde ik de
oude Macbeth: als hij het niet verder wist, ging hij in de woeste hooglanden
en vond dan altijd een paar heksen die hem raadden.
Wel sliep ik een droomloze slaap. Mijn nieuwe majordomus dronk en speelde
met mij, wij sliepen in tussen de flessen, over de kaarten. Op een avond
was hij naar het stadje en ik alleen, ik zat bij de kachel in een lompe
zetel, had mijn laarzen nog aan, mijn muts op. Mijn heupwond schrijnde mij,
ook meende ik jicht te voelen opkruipen. En toch sliep ik daar in die stoel
voor 't uitgaand vuur een slaap zo diep en weldadig, als ik niet had ondergaan
sinds mijn vlucht uit het hospitaal te BI...w. Ik droomde niet, ik hoorde
alleen een voortdurend dreunen, als van een exprestrein, en daaronder vernam
ik eindelijk en herhaaldelijk: “Sta op en ga haar zoeken.” Ik hoorde dat
het met hoofdletters werd geroepen. Ik ontwaakte, het vuur was uit, de lamp
smeulde, de sterren stonden nog voor 't raam. Ik rilde, kon eerst niet
opstaan.
Ik belde vergeefs en eindelijk sleepte ik mij tot de tafel. Daar stond een
fles.
Terwijl ik dronk, hoorde ik weer die woorden. Wrevelig peinsde ik op hun
zin en eindelijk besloot ik een antiek middel te baat te nemen en de bijbel
op te slaan en mijn vinger ergens midden op een bladzij te plaatsen. Ik
haalde het oude boek uit een lade, daar lag het onder jachtgerei. Ik sloeg
het op, wilde mijn vinger zetten, maar het hoefde niet, daar lag een bladwijzer,
een verbleekte reisgids, van twintig jaar geleden, naar het
Maggioremeer.
Lugano, Locarno, eerst begreep ik niet, herinnerde mij ter elfder ure dat
een mijner tantes uit de tachtiger jaren, na een godsdienstige crisis een
verwoed toeriste was geworden. Ik besloot het toch maar als een wenk van
hogerhand op te vatten en daarheen te gaan, ergerde mij daarna weer over
mijn dwaasheid, vervloekte mijn tante, wierp haar gids en de bijbel in 't
vuur en dronk tot ik weer insliep.
Maar iedere nacht werd ik wakker, hoorde namen, vooral Locarno—zou
dat iets betekenen? En op een nacht heb ik mij opeens aangekleed en ben
naar het station gereden om de enigste trein af te wachten die daar voorbijkwam
en stilhield. Ik zag starre verbazing in de ogen van de baanwachter die
daar in de loods, die het station voorstelde, woonde, maar hij zei niets,
hielp mij hoffelijk instijgen toen de trein aankwam, bracht voor vijf roebel
de hand aan zijn muts en, voor een eed van stilzwijgen, op zijn
hart.
Later zag ik dit nog vaak voor mij: die vlakte van dooiende sneeuw, grauw
in de morgen, de vuile man tussen twee walmende lampen, voor mij buigend,
een muts in zijn handen draaiend. Waarom juist dat?
Vier dagen later was ik in Zwitserland. Ik had in de trein niet gedronken,
voelde mij dus verkleumd en zwak toen ik in Locarno aankwam en bleef dagenlang
in mijn kamer.
*
De eerste week gebeurde er niets, de tweede nog minder. Ik vermeed iedere
kennismaking—met moeite, want ik had er niet aan gedacht een vreemde
naam in het boek te schrijven. Ik stond laat op, ontbeet alleen in mijn
kamer, vlug, de smachtende tonen van de tziganenkapel beneden stonden mij
tegen. Meestal zat ik op het terras naar de grote witte bergen ver weg,
en de kleine azuren golven dichtbij, te staren.
Ik zag ook dikwijls iets anders daarachter: prikkeldraadversperringen, horden
kleine gele gedaanten die neervielen, in kleine blauwe vlammen opsprongen,
weer vielen, weer verder strompelden, aldoor op korter afstand en langzamer,
en eindelijk voorgoed bleven liggen, verschrompeld. Mijlenlange transporten
die voorttrokken in smalle kronkellijn door witte steppen, grauwe heuvelen,—kruisers die schokten, scheef zakten en ondergingen in gele
walm.
Enige malen doorleefde ik weer de stormloop die mijn laatste was en met
mijn wond eindigde. Eens, toen de bajonet mij weer van dichtbij bedreigde,
stond daar een witte gestalte waarvoor het visioen week, een meisje, een
jonge Zweedse. Ik had haar dikwijls gezien. Zij lachte vrijmoedig.
“Als u niets begint te zeggen, moet ik het wel doen”—zij salueerde
aan de zeilpet die op de blonde haren stond.
“Hoe weet u dat ik officier ben? U wilt zeker van de oorlog horen?”
“Helemaal niet. Neen, ik kom omdat u altijd alleen bent en dus wel mee zult
willen gaan in een boot naar Isola Madre—want alleen mag ik niet
en met mijn kennissen wil ik niet, want die denken dadelijk aan een
conquête. Ziet u, daarom,” besloot zij, toch blozend.
“En u denkt, ik heb zoveel conquêtes gemaakt in het oosten dat ik
niet méér verlang?”
“Ik denk niets, ik wil alleen met u varen.”
“Goed.”
Zij gaf mij een hand en sprong weg. Traditioneel: de moede soldaat en het
jonge meisje, idylle.
Ik dronk meer dan gewoonlijk, minder dan ik wilde, dacht toch aan morgen,
verlangde en ergerde mij om dit verlangen, maar eigenlijk misschien omdat
ik niet heviger verlangde en mi; geen omhelzingen voorstelde, geen plannen
had. Waarom zo oud, zonder enige levenswil? Gelukkig dat ik nog wat te zoeken
had.
De ochtend was windstil. Ik kleedde mij langzaam, nu weer vol tegenzin.
Maar beneden heerste een heerlijke rust, er was in deze vroegte geen Kurgast
te bekennen. Misschien hoefde de tocht wel niet door te gaan... Daar kwam
zij al aan, langs de balustrade, in blouse en korte blauwe rok, een
meisje.
“Gaan we?”
“Er is immers geen wind.”
“Die komt wel, we roeien eerst beurt om beurt.”
Zij nam mijn arm: “Toe, kom nu.”
Bij het eiland meerden wij onder overhangende takken. De wind kwam niet,
wij spraken niet, de schaduwen schoven nauwelijks heen en weer en ik verheugde
mij in deze stilte die de hele dag ongerept bleef.
Zij vroeg niet, met haar ogen niet, met haar lichaam niet. Toen wij landden
alleen: “Morgen weer?”
Ja, vele morgens, al verzaakte de wind ons bijna altijd. Soms zwom zij,
terwijl ik op de boot lette, maar verstrooid afdreef en waterwieren door
mijn hand liet glijden.
Ik dacht wel eens aan feesten in Rusland, onder berookte balken, tussen
volle en gebroken glazen, gelaarsde danseresjes, opgezweept en aangespoord
tot bloedens toe.
En dan steeg zij uit het water, Leucotheia.
Een dag—had zij niet gezegd dat het de laatste was?—zwom zij
nog eens en ik verzonk in dieper mijmering, merkte niet dat zij in de boot
wilde klimmen, met haar voet in onzichtbare wortels verward raakte, meer
en meer bleef haken, worstelde, hijgde tot zij eindelijk om hulp riep. Haar
ogen waren smekend wild, maar ik scheen onmachtig om iets te doen, zelf
verward en half verdronken in een droom die het licht door mijn opengesperde
ogen niet uit kon drijven. Op 't laatste ogenblik kwam ik tot mijzelf en
greep haar reeds glippende handen. Zij verweet mij niets, kleedde zich
sidderend.
Ik roeide toen weg uit de kreek en een eind verder stapte ik uit de
boot.
Zij roeide alleen terug.
Wij hadden niets afgesproken. Alleen had ik haar naam gevraagd.
Feodora.
Een eind van de oever haalde zij de riemen in, ging overeind staan. De zon
lag achter haar, zij stond groot en koperkleurig als een Indiaanse rechtop
in de boot. Zij hief een snel Noors lied aan, het woei in flarden over het
kille grauwe water. Zij zong sneller eindigde met een luide kreet, dook
in de boot en was heen.
Ik besloot dadelijk uit het hotel en Locarno te vertrekken, maar ik was
te moe toen ik in mijn kamer terugkwam. Ik viel in slaap voor mijn toilettafel
zittend en ontwaakte in de nacht. Toen heb ik haar nog even gezien. Zij
lag half toegedekt en ademde zwaar en wendde telkens iets van zich af, worstelend
alsof het een zerk was.
En de andere morgen bleef ik en zocht naar Feodora. Zij was
vertrokken.
*
Vele dagen bleef ik alleen: gelukkig? Verlangenloos tenminste. Het gevoel
van zoeken was weer over mij. En ik dacht: nu is het haar. Waarom liet ik
haar gaan? Om haar te zoeken—dan wist ik wat ik zocht. En toch hoopte
ik haar te vinden.
Daar ik niemand kende, kon ik niet informeren, mij tot een lakei wenden
wilde ik niet, in het vreemdelingenboek vond ik haar naam niet, op het terras
verscheen zij niet, op het meer waar ik nu zeilde en alleen, voer zij niet.
En in de hete middag zat ik in de tuin, ademend stof en wanhoop.
Volgde een tijd van dolen zonder enige vaste lijn. Ik was volkomen gedachteloos,
leed niet en zwijg dus over die tijd. Ik weet er niets van: zonder bewustheid
omgaande. Ik kwam weer tot mijzelf toen ik op een helling zat met niets
dan een veldfles bij mij, achter dichte heesters. Daardoorheen zag ik de
weiden, de witte en grijze schapen, de alpenhutten. Soms klonk een klokje,
de zon was niet te zien, de gletsjer gloeide niet, een rustig, hoog, wit
en onwrikbaar zwerk, van onder door een gekartelde kim afgesloten. Ik dacht
niet, zag ver voor mij uit en ongemerkt was ik uren de berg
opgeklommen.
Ineens werd het donker, een harde wind dreef zware wolken aan, de schapen
gingen weg. De winter was begonnen.
Ik werd 's nachts wakker en zag rond in het boerse slaapvertrek, zo rustig
of ik nooit meer uit de diepe bedstede achter de gebloemde gordijnen vandaan
zou komen, en herkende elk voorwerp, elk meubel in zijn stand. Het licht
was zwakker dan maanlicht. Ik had dit reeds gezien, hoe lang geleden? Ik
sluimerde weer in, licht en lang. Bij het ontwaken herinnerde ik mij het
ogenblik van helderziendheid in de nacht en besefte nuchter: 's avonds laat
was ik hier aangekomen, naar mijn kamer gegaan, in slaap gevallen zonder
om mij heen te zien. De boerin die 't landelijk ontbijt binnenschoof, vroeg
vriendelijk of ik hier elke veertien dagen kwam, dan zou zij zorgen deze
kamer open te houden. Het bleek dat ik hier drie malen was geweest, zo had
ik weer een tijdsbepaling. Een richting hoopte ik hier van 't rustige dromen
in het grote bed te krijgen.
's Ochtends herinnerde ik mij nimmer iets van de reizen en ontdekkingen
van de nacht. De hele dag wilde het ook niet opklaren. Ik denk dat ik 's
nachts dicht bij mijn doel was.
Een avond was ik op bezoek bij de dorpsschoolmeester. In zijn versleten
jas, op oude pantoffels, de pijp naast zich op de grond gesteund, zat hij
tussen de rommel van zijn vol studeervertrekje. Hij wilde zijn kennis verrijken,
vroeg mij naar Mantsjoerije en noemde in één adem de steden
langs de Transsiberische spoorweg op, met een trotse trek om zijn oude,
slappe mond, en haalde toen zijn schoonst bezit voor den dag, een grote
globe, die ik onder mijn vingertoppen wentelen liet. Mijn nagel raakte in
een voeg van de bol, het was bij de Krim en daar lag: Feodosia. Ik bewonderde
de bol, terwijl ik hem onder mijn vingers verder deed wentelen, dronk nog
een kan bier en ging. De oude man deed mij uitgeleide en vroeg: “Kom spoedig
terug, over Rusland weet ik zo weinig.” Hij zag mij na of ik de verdwijnende
zon was.
Door mijn dromen wentelde de bol en bleef met de Zwarte Zee voor mijn ogen
stilstaan. Maar neen, ik was niet een week later in Feodosia na een snelle
geforceerde reis. Ik wist dat deze boete een nauwkeurige maat had, die nog
lang niet volgemeten was. Veel later, in een groot laatst lijden zou alles
zich oplossen en het leed ineens omslaan in een onmetelijk geluk dat mijn
arm, verward brein nog lang niet bevatten kon. Dus kwelde ik mij nog maandenlang
in Italië, in kleine steden, toch langzaam naar 't zuiden reizend om
enig gevoel van naderkomen te hebben, en vaak prevelend: “Van Feodora naar
Feodosia.”
Wat heb ik geleden in die stoffige steden vol vreemdelingen en hun
parasieten.
Florence was weerzinwekkend, volkomen verengelst. De andere kleinere waren
nog erger. De musea waren zo volgepropt met kunstschatten dat alles vulgair
werd, een uitstalling in de stoffige vitrines, omstuwd door drommen Amerikaanse
en Duitse toeristen met hoogrode koppen en op- en neergaande kaken of perkamentachtige
wangen en slappe lichamen, als waren allen rijk geworden slagers of
maagkankerlijders.
Hun vrouwen met goggles of face-à-mains voor de fletse of stekende
ogen walgden mij meer dan een vijand ooit. Wel kon ik soms alleen zijn bij
een beeldhouwwerk dat zij oversloegen om hun puriteinse gevoelens niet te
kwetsen. Maar de verstarde discuswerpers en wagenrenners gaven mij krampen,
en hoevele schilderijen bedroefden mij niet door teleurstelling,
madonna's, kuis en weelderig geroemd, die niet anders waren dan flets en plat. Soms
zweefde een gedaante voor mij uit, die ik eerst niet zien wilde, dan toch
naijlde, de museumtrappen af, tot ergernis der mummieachtige zaalwachters,
en met achterlating van hoed en wandelstok, tot voldoening der
bewaarsters.
Ik trok de Abruzzen in, beleefde niets dan nachtelijke gevechten met ongedierte,
zocht ten einde raad twist met een bende die mij ongemoeid gelaten had,
wegens mijn weinig belovend uiterlijk. Na onbesliste kamp nodigden zij mij
uit mij bij hen aan te sluiten, ik bedankte. Het had mij wel aangelokt eens
een museum te plunderen, maar daartoe hadden zij geen lust. Ik daalde weer
af in de vlakte en ging overal waar ruïnes uit een groter tijdperk
waren overgebleven. In Paestum zat ik drie weken, totdat de gidsen, die
in mij een toekomstig concurrent zagen, mij met steenworpen verjoegen. Later,
in de villa Borghese, die mij aanvankelijk bekoorde, stiet ik een avond
bij de vijver op een kudde Japanse toeristen, die met schelle stemmen de
avondstilte verscheurden en met gele gelaten en reispakken de blanke omgeving
bevlekten. Des nachts in mijn hotelkamer trokken weer eindeloze colonnes
gelen voorbij, ik liet ze mitrailleren, onafgebroken knetteren, ze vielen,
nieuwe kwamen, de vorige vertrappend, eindeloos, altijd dichter
stormend.
De andere dag was ik onpasselijk, mijn huid spande strak om mijn
schedel.
Ik zag geen gelen meer, maar de Romeinen gaven mij een zelfde walging, flauwer,
maar even weerzinwekkend. Nog restten mij drie weken in Italië. Ik
wilde niet eerder vertrekken, koos een uitvlucht, stak over naar
Sicilië,
bezocht talrijke catacomben, tot tegengif, maar de gangen met graven, de
glazen doodkisten, de kuilen vol gebeente lieten mij onverschillig. Massagraven,
verse lijkenheuvels waren aangrijpender. Ik hoopte op een uitbarsting van
de Etna, deze was rustiger dan ooit, rookte matig, de lavastroom stond
stil.
Een week voor mijn tijd scheepte ik mij in Catania in op een Italiaans passagiersschip
naar Constantinopel.
*
De Mario Desio was een klein stoomschip, sierlijk gebouwd, vuil
van binnen. Er waren weinig passagiers van mijn klasse, de lange tafels
stonden leeg, eenzaam zaten wij aan een uiteinde, een zo internationaal
gezelschap, dat er niet gesproken werd.
Op het dek zaten de landverhuizers die naar de Levant terugkeerden, tussen
hun pakken; zij zongen oosterse liederen, de halve nacht. Ik geloof dat
ik meestal sliep. Eén nacht ontwaakte ik door een ander zingen, minder
monotoon en dreunend, ijl, angstwekkend hoog. Ik ging op het dek en zag
een lang eiland, groene kusten, grijze hellingen en sneeuwblanke toppen,
de maan stond ertussen als een bleek gelaat waar zachte glans afvlood. Het
was Creta.
Een groot verlangen greep mij aan daarheen te gaan en nooit verder. Ik hoorde
roepen van de hoge toppen. De zee leek zo vlak, het eiland zo dichtbij,
zou ik zwemmen? Maar dat was uitdagen. Ik dwong mij in mijn hut terug. Inslapend
beloofde ik mij van Smyrna terug te keren. En bijna slapend dacht ik: ik
wandel nu in een groot labyrint, waarom niet in het oude, kleine? Het leek
mij zo rustig.
En zo kwam ik op Creta, met een nog kleinere, vuilere boot, maar vond niets
dan vuile stadjes en dorpen, kudden schapen, Grieken en Turken. De geroemde
gastvrijheid moest ik duur betalen, ik voerde een hevige strijd tegen het
ongedierte.
In Sphaxa kreeg ik weer Japanse visioenen... Een mars over de Theodoros
bracht mij in Canea, uitgeput, maar steeds gejaagd, want ik vroeg mij voortdurend
af wat ik hier deed.
Deze radeloosheid moet duidelijk op mijn gelaat te lezen zijn geweest. Ik
zat in de koele binnenplaats van de herberg te Canea en dronk en legde het
hoofd op tafel, sliep of sufte. Een hand op mijn schouder, een baard aan
mijn wang. Ik zag op, een oude monnik stond naast mij. Vol wantrouwen bood
ik hem een glas wijn en vroeg wat hij verlangde. Hij lachte.
“Niets verlang ik en mijn hevigst verlangen zou niets zijn bij dat wat in
uw leden zit. Het is een gevaarlijk gif. Waarom gaat gij niet in een klooster?”
“Uw blik is scherp, uw raad slecht. In een klooster zou ik weerloos zijn.
Ik wil gaarne Athos bezoeken. Kent gij het? kunt gij het mij ontsluiten?”
“Ik kan het, maar zou u een slechte dienst bewijzen. Gij zoudt er radelozer
vandaan komen dan uit de oorlog.”
“Hoe weet gij... ?”
“Ik was daar.”
“Waar zaagt ge mij?”
“In een ossewagen. Gij zaagt mij niet, gij laagt in ijlende koorts. Ik gaf
u water. Gij geeft mij wijn. Eeuwige wisselwerking. Dat vindt gij op Athos
niet, niet zijn oud zilver en zelfvoldane asceten. Zij tonen hun schatten,
vragen u schatting en laten u gaan—alleen, armer dan toen gij kwaamt,
naar beurs en geest.”
De monnik had het kinderlijke en ruw verhevene dat een missionaris krijgt
die lang onder wilden heeft geleefd. Half wrevelig vroeg ik:
“Nu, gij ziet dat een verlangen mij beheerst; als gij zoveel weet, zeg dan
ook wat ik verlang, waarheen?”
“Wat gij verlangt? Iets te ontmoeten dat geen sterveling voor u nog naderde
en zo ontzettend is dat het uw andere ontzettingen uitdrijft, iets raadselachtigs,
dat u de grootste geheimen ontraadselt en zelf geheim blijft.”
Hoeveel waars of toepasselijks er ook in deze orakeltaal lag, zij imponeerde
mij niet. Haastig vroeg ik: “En waarheen verlang ik?”
“Naar een plaats in het Oosten. Toch gaat gij er niet heen.”
Dit vage antwoord sterkte mij weer in de mening dat hij een sluwe waarzegger
was: hoeveel Russen verlangden niet naar hun land en zwierven toch in den
vreemde. Van Feodora-Feodosia kon hij niets vermoeden.
“Het Oosten is geen naam. Hoevelen wenden het gelaat erheen, terwijl de
muzelman aan Mekkah denkt, de Pers aan Sjiraz, de boeddhist aan
Djaïpoer. Neen, zeg mij waarheen ik wil.”
“Als gij het zelf niet weet, kan ik het dan zeggen? Als ik het zeg, zult
gij later zelf weer twijfelen of het uw eigen verlangen was en heb ik u,
in plaats van wegwijs, doelverloren gemaakt.”
Hij dronk zijn glas uit, streek zijn pij neer en stond op.
“Waar gaat gij heen?”
“Verder.”
“Wat zijt gij dan?”
“Bedelmonnik. Ik kom overal.”
“Maar waarom, met uw wijsheid?”
“Dacht ge dat ik die gekregen had zonder mijn zwerven, mijn armoede? Dacht
ge dat het meest begeerde zonder strijd verkregen wordt?”
“Zijt gij tevreden met uw lot?”
“Volkomen.”
“Als gij honger hebt?”
“Ik vind altijd brood, en anders veldvruchten.”
Hij stond tegen de verbrokkelde muur van de binnenplaats, de hand aan zijn
staf, de ogen in de verte. Een gewone bedelmonnik—wat extatisch,
wat dom en plomp geloof. En toch...
“Blijf mij een paar dagen gezelschap houden,” stiet ik uit.
Hij lachte. “Heer, wat moet een bedelmonnik in uw gezelschap doen?”
“Langer, als gij wilt.”
Zijn gelaat veranderde weer, of was het de ondergaande zon?
“Ik kan u niet leiden,” zei hij eindelijk, “u moet toch zelf zoeken. Goed,
ik zal blijven. En u 't land laten zien. Maar verder kan ik u niet brengen.”
Zo zwierven wij dagenlang samen. Verbittering welde telkens in mij op, dat
ik van deze domme monnik verwacht had iets te horen over mijn lot. Het kon
zijn dat onwetenden in zijn woorden enig heil vonden. Voor mij waren ze
als walm van de allerslechtste wierook, beneveld en benauwend.
“Weet je dan een klooster waar iets te zien is, iets dat nergens anders
meer bestaat?” vroeg ik hem op een avond in een herberg waar meer vuil en
ongedierte dan eten was. Hij zag mij verwezen aan. Maar opeens verhelderde
zijn gezicht en ik zag dat ik iets te weten zou komen. Zoals een weerlicht
over een ruw rotslandschap valt en ineens door een kloof een schone streek
toont. Maar hij bleef zwijgen, lachte onnozel en alles was weer weg.
Maar nu was ik besloten het spoor niet los te laten. Ik had de overtuiging
dat hij iets wist. Hij wilde dat wij verder zouden gaan, nu weigerde ik.
“Zeg mij waar je aan dacht, ik zal je veel geld geven! maar lieg niet, of
ik zal je weten te vinden!” En ik greep hem, schudde hem.
Hij week terug, streek over zijn baard.
“Mij vinden? Gij kunt uzelf niet eens vinden.”
“Nu, zeg het, vadertje, misschien kan ik het dan,” smeekte ik.
“Zo is het goed,” zei hij. “Ik zal het u zeggen. Maar neem dit mee, anders
geeft het niets.” Hij haalde uit zijn pij een klein heiligenbeeld. Het bovenstuk
was een slank vrouwenfiguurtje dat in een vormloze klomp uitliep. Hij legde
het in mijn hand. Ik voelde dat het zuiver goud was. Mijn verbazing over
het fraaie stuk, de vreemde wijze waarop het onvoltooid gebleven was, het
onverwachte dat een bedelmonnik een zo kostbaar stuk bezat en bovenal dat
hij het mij in handen gaf, overmande mij zozeer, dat ik met het beeldje
op mijn vlakke hand roerloos bleef staan en er wel onnozeler moet hebben
uitgezien dan de monnik naar mijn schatting was, tenminste zijn gezicht
klaarde weer op. Liep deze man in een vernederende vermomming op aarde rond,
was het een kinderlijke dwaas die ogenblikken van wijsheid had, of was het
beeldje toch geen goud en dit alles een geraffineerde truc?
“Hiermede moet gij naar een klooster gaan dat in het K...gebergte ligt,
twee dagreizen van Feodosia af,” sprak hij als peinzend.
Nu wist ik zeker dat hierin een bestemming lag, of een toeval zo vol verband
met mijn grillig lot als zelden een aardse gebeurtenis kan zijn. Ik nam
het beeldje aan en vroeg wat hij verlangde.
“Ik ben een arme man,” zei hij eenvoudig. “Laat het wegen en geef mij de
waarde van het goud.”
“Dat zou te weinig zijn, het is wellicht een kostbaarheid die alle Russische
en buitenlandse museums gaarne zouden bezitten.”
“Zou ik het daaraan geven? het in een glazen kast laten liggen blootgesteld
aan ieders blikken? Daarvoor is het niet gemaakt.”
“Waarom is het niet afgemaakt?”
“Omdat de maker geen tijd had. Zo is het ook met de aarde gegaan.”
“Waarom heeft God de zevende dag dan niet doorgewerkt?”
“Moest Hij alles doen en de mensen niets?”
“Die heeft Hij toch ook gemaakt?”
“Neen, denkt gij dat wij van goddelijke afkomst zijn? Wij zijn uit het leem
der aarde gemaakt door een godengeslacht dat nu dood is, doodgegaan van
verveling. Wij mogen dankbaar zijn dat God zijn vijanden nog zoveel heeft
geholpen en zijn zonen gezonden heeft. Nu, dat zal Hij niet meer doen.”
“Zijt gij dan geen zoon Gods?”
“Neen, neen, wij zijn wat anders. Mensen ook niet, gelukkig. Maar kom, laat
ons dit afdoen.”
Wij gingen naar een Roemeense juwelier in Canea. Hij legde het beeldje op
zijn weegschaal, keurde het en noemde een belachelijk lage prijs. Ik maakte
mij boos, maar de monnik lachte, boog en trok mij mee.
“Nu, twee maal die som zal zeker genoeg zijn. Geef het mij in de
herberg.”
Ik voelde iets mij hinderen, zag om en nog juist de juwelier om een hoek
verdwijnen. Toch een komplot?
“Laten wij de herberg ook maar verlaten,” ging hij voort, “anders worden
wij vannacht toch geplunderd en dat zou jammer zijn. Dan kwaamt gij nimmer
in het klooster.”
“Ik heb meer lust ze af te ranselen.”
“Hoe wilt gij ze betrappen? Gij waakt de hele nacht en hoort niets dan het
geknaag van ratten en het gezoem van muggen; het éne ogenblik dat
gij insluimert—en dat komt—zijn ze in de kamer, plunderen
u en planten u misschien een mes in 't hart. Kom, wij gaan.”
*
Een uur later liepen wij—ik met mijn ransel en Ferapont met zijn
zak en etensnap—op een smalle bergweg.
Weer zijn wij Creta doorgetrokken, langs paden en door bergpassen waar ik
alleen nooit in- en zeker niet uitgekomen was, en ik begreep hoe hier de
legende van het labyrint ontstaan was en verheugde mij in de tegenstelling,
dat ik het doorlopen kon, juist nadat ik uit een doolhof van gedachten was
bevrijd.
En Creta zag ik zoals geen het heeft gezien: diepste ravijnen, kronkelwegen,
dubbel angstwekkend door de afgrond waarlangs ze liepen en 't gemis aan
uitzicht tussen de bergwanden.
Ik zag gemzenkudden over bergkammen balanceren, bevallig en kuis als
koorddanseressen;
bergweiden, een paar meter breed en mijlen lang, waarover de geiten haastig
grazend gingen; dorpen zo ineengedrongen, dat het scheen alsof de huizen
bij een overstroming zich op een vluchtheuvel hadden gered.
Eindelijk, aan het oostelijk eind van het eiland, bereikten wij een kleine
haven, die diep in de rotsen lag als in een schelp met vele
spiraalgangen.
Wij stonden op de rand van het kustgebergte, aan de horizon tegenover ons
dreef de zon op het grijze water als een uitgebrande lantaren al in het
donker. De witte huizen van de stad lagen nog in het licht. Ook de bergen
waren donker, zodat het leek of het licht zich daar genesteld had. Het water
van de baai rimpelde op een geel strand dat zacht hellend nog een eind onder
water zichtbaar bleef. Zwarte scheepsrompen lagen er als rustende robben,
andere lagen onder zeil als rustende zeevogels.
Ik wist niet dat ergens op aarde zoveel rust te vinden was. Zelfs geen klokkeluiden
verstoorde de stilte. Alleen kon men zien dat het lover van de bomen, waarop
wij neerzagen, ruisen moest, tenminste het bewoog. Mijn geleider zat in
het gras te eten, en dronk duchtig uit de fles, en toen ik nader kwam wilde
hij mij de dronk reiken. Ik dankte, toen wees hij op een schip dat het verst
van de strandzoom verwijderd lag.
“Neen, Ferapont, hier wil ik blijven. Hoe lang? Totdat ik genoeg van deze
stilte heb en dat zal ik nooit.”
Toen nam ik een slok uit dezelfde fles en alsof dat genoeg was om verstandhouding
te hebben, bleven wij zwijgend tegenover elkaar op een rotsblok. En mijn
denken was: “Ik wil hier blijven, een boot hebben, zeilen en vissen in de
baai.” En ik dacht aan de parelduikers die afdalen op de bodem der zee en
daar verder van de wereld af zijn dan de banneling in de diepste bossen
van Siberië. Ik kon ook duiker worden, als ik sterk genoeg was.
Wij stonden eindelijk op, daalden de berg af, liepen het stadje door, en
een kleine boot bracht ons naar een zeilree liggend schip. Dat ging naar
Trebizonde, vandaar kon ik oversteken naar de Krim. Iets anders hoorde ik
niet van Ferapont, die enkele woorden aan de schipper toeschreeuwde die
bewilligde en mij twintig drachmen vroeg. Ondertussen was het bootje met
Ferapont afgestoten en roeide reeds naar de oever terug. Ik riep nog:
“Waar ligt het klooster?”—maar hij hoorde mij niet meer, groette
slechts.
Op de kampanje lag een vuile stromatras. 's Nachts had ik alleen de sterren
boven mijn hoofd. Overdag zag ik zwermen Griekse eilandjes voorbijtrekken,
ook Constantinopel voeren wij voorbij zonder oponthoud; toen viel mij de
absurditeit in van mijn zitten op dat scheepje, de stad voorbijvarend waar
ik vroeger in mijn leven maanden vertoefd zou hebben. Maar het stoorde mij
niet, ik bleef rustig op mijn matras zitten, rook knoflook, hoorde het gezang
van de matrozen, de hele dag, schreef in een aantekenboekje op mijn knie
alles op wat ik wist van mijn bestaan na 't eind van de oorlog, van de wonderlijke
periode waaruit ik te voorschijn kwam, zittend op een ellendige tweemastschoener,
de gloriestad van Oost-Europa voorbijvarend om een klooster te zoeken dat
ik misschien niet vinden zou en waar, als ik het vond, de grootste teleurstelling
wellicht mij wachtte. O ja, en op een brief te wachten uit een land in 't
Noorden, waar ik nooit geweest was en nooit komen zou, van een vrouw die
ik niet kende, want zij was een andere voor onze ontmoeting en moet een
andere geworden zijn daarna.
—Het scheepje slingert, hoewel de zee niet woelig is en de wind luw.
Zo komt het dat deze aantekeningen slecht en onsamenhangend zijn geschreven.
Ook moet ik bekennen dat ik toch bijwijlen opzie naar de stad tegenover
mij, daar is zoveel dat mij bekend voorkomt, vooral de daken der kerken,
die in Moscou en Kiew dezelfde zijn.
—Van Trebizonde verhaal ik niets, hoewel ik twee dagen doorbracht
wandelend in zijn sloppen, en twee nachten in een herberg die geen naam
droeg, maar in Brugge of Rome zou gepast hebben met vanouds: Au
Rendez-vous des Puces, opgericht bij de aanvang der kruistochten. En wie weet heeft
Godfried van Bouillon hier niet vertoefd.
Vanmorgen had ik het geluk een bark te zien liggen op de rede, met de kijker
zag ik de naam: Eudokia. Ik liet mij erheen roeien en waarlijk, van
Eudokia kwam zij, naar Eudokia keerde zij terug.
—De Zwarte Zee beviel mij zeer. Wel is het water niet zwart, en zijn
de stormen niet zo hevig, maar de korte golven en de wijze waarop de lucht
opeens betrekken kan en wolkenwallen op de zon stapelen totdat deze geheel
verdwenen is, dit alles boeide mij. Alleen het denkbeeld dat deze zee de
meest in het vasteland beknelde was van alle zeeën, benauwde. Op een
morgen kruiste een eskader van de Russische vloot in zicht. Als deze zee
niet afgesloten was, zouden ook deze schepen wel zijn vernietigd, door mijnen
uiteengespat, door torpedo's opengereten, naar hun verderf gevaren in de
Gele Zee...
Vannacht heb ik weer Japanse visioenen gehad, van grijze kruisers ditmaal,
groter dan ze ooit gebouwd zullen worden, overzwermd door gele insekten,
meer dan ooit verwekt zullen worden, zelfs in Japan.
—Vanmiddag ben ik in Feodosia aangekomen. Aan niets kon ik zien dat
hier de bestemming van mijn leven lag. Een badplaats: smalle stroken strand
vol badenden, verstrooiing of huwelijk zoekenden, kleine rotskapen, waarop
banken, waarop paren in de houding van ‘eureka’.
Daartussen oude dames onder parasols en grijze ambtenaren en generaals,
vele met ridderorden op de borst, allen met dikke wandelstok. Weinig kinderen.
Langs de strandboulevards hotels, kleine hotels, tegen de helling
één groot, met vele vreemde vlaggen beprikt. Deze vlaggen wapperden geagiteerd,
er stond een sterke wind, die de wolken voor de zon langs joeg zodat het
beurtelings licht en donker was en ik telkens avondval verwachtte en telkens
weer in 't volle licht liep.
Achter de hotels een smalle stad, daarachter bergen, zwart, steil, wegen
zag ik niet. Met mijn bagage in de hand (bijna alles had ik nu achtergelaten)
liep ik langs de hotels. Geen chasseurs snelden op mij toe om mij die bagage
af te nemen en binnen te dragen. Ik zag er niet uit als iemand die een luxehotel
zocht. Ik had gemengde gevoelens van spot en verlatenheid. Eindelijk, aan
het eind van de hotel-allee zag ik een klein hotel staan in een grote verwaarloosde
tuin, waarin verveloze, scheve, verregende rieten stoelen en tafeltjes een
droevige aanblik vertoonden. Het had geen uitzicht op zee en ik nam een
kamer tegenover de bergen die vlak erachter begonnen op te rijzen.
Zelfs hier was het welkom koel en wantrouwend.
Nu ik het karig avondeten heb genomen en op het smal balkon van mijn kamertje
zit te roken, vraag ik mij af, voor de zoveelste maal, wat ik hier ben komen
zoeken, in deze Russische Riviera. Als ik mij bekend maak, heb ik geen rustig
uur meer, ben ik een gevierd held, dank zij mijn krijgsverrichtingen, en
een gezocht bruidegom, dank zij mijn bezittingen in Samara.
Toch was ik hier opgewekter dan ooit, sinds mijn weggaan uit Zwitserland.
Het laatste deel van mijn tocht hierheen was aantrekkelijk. Direct van Italië
hierheen gekomen, zou ik verheugd zijn geweest. Maar dan had ik de weg niet
gevonden.
Waar was dat klooster?
Ik betastte het beeldje, maar dit wees niet de weg. Ik hield het de hele
nacht in mijn hand, maar ook mijn dromen wezen niet de weg .
—Nu, na veertien dagen, heb ik geen spoor gevonden en ook ben ik niet
veilig meer. Het wantrouwen in het hotel is verdwenen nadat mijn garderobe
is aangekomen. Ik kan het niet laten deze te gebruiken. In de middeleeuwen
zou ik zeker dikwijls in het harnas gegaan zijn en zelden het vizier hebben
opgeslagen. Nu is een toeristenkostuum de beste wapenrusting. Alleen, ook
dit moet men nooit afleggen. Was ik direct in volle rusting gekomen, men
had mij niet gehinderd. Nu intrigeert het contrast tussen mijn verwaarloosd
vagebondenuiterlijk van toen met mijn kleding van nu. Maar ik kan het niet
helpen—ik moet dit hebben, anders voel ik mij ongelukkig.
Ik heb een paar kloosters in de omtrek bezichtigd, wanhopig teleurgesteld
ben ik teruggekomen. Domme, geldzuchtige monniken, slechte kopieën
van middeleeuwse kunst. Dompige kapellen.
Ik zit op de rand van het Continental-terras. De tziganen spelen
in de verte, aan mijn voeten drentelt het mondaine publiek. Enkelen zien
naar mij op, hun blik vervolgt mij. Maar ik blader als verstrooid in een
toeristengids en lees: het ...klooster, weinig interessant en loont de
moeilijke beklimming niet. Geen oudheden van enig belang.
Ik ken een weinig Krims. De naam betekent: het klooster der halve
verlossing.
Een zonderlinge naam voor een orthodox klooster. Tegelijk tast ik in mijn
zak en mijn vingers ontmoeten het beeldje, het heerlijk gesneden bovenlijf,
de vormloze klomp. (Het lijkt een parodie op de boeddha, volkomen ontplooid
op zijn lotus.)
*
De andere morgen ging ik op weg naar dat klooster. Het pad begon achter
de tuin van mijn hotel en kronkelde onmiddellijk en steil de berg op. Ik
had mijn oude jagerspak aan, de eigenaar zag mij verbaasd na en riep of
ik niet een gids wilde hebben.
Het pad was blijkbaar niet meer begaan, soms moest ik over een rotsblok
klimmen, soms de bedding van een beek volgen, weldra hielden de bomen op.
Zonsondergang—ik zag niets van een klooster, maar hield het pad gemakkelijk,
alsof ik het talloze malen gevolgd had en wel blindelings volgen kon.
Toen, op een steile kam lopend, zag ik het klooster plotseling beneden mij.
Het was driehoekig, het front was breed, de zijmuren liepen spits toe. Het
midden werd ingenomen door een hof, waarin bijna bladerloze bomen dicht
opeenstonden, dor en grauw. Van boven zag het geheel eruit als een grauw
spinneweb. Ik tastte instinctief naar mijn beeldje, maar stiet op de veldkijker
die tegen mijn zak aan hing; hoewel ik dichtbij was volgde ik de impuls
erdoor te zien en toen leek het of een smalle zwarte streep van een der
hoeken naar de rotswand aan de overkant liep. Een overwelfde gang? Een pad
voerde recht naar beneden, maar om mijn waarneming te bevestigen klom ik
eerst om de rand van de kam heen, en aan de andere kant zag ik niets dat
op een gang leek. Ik was gedwongen terug te keren en weer kreeg ik dezelfde
indruk. Ik maakte een schets van de ligging van het klooster en de vermoedelijke
indeling van het gebouw en daalde toen af. Het was bijna duister. Ik liep
om het klooster heen, en werkelijk, aan het einde van de driehoek, in 't
verlengde van de muur, was een zwarte plek steen die hier en daar boven
de grond uitkwam. Ik had daarboven in de verkeerde richting gezocht. Voldaan
ging ik naar de poort.
In het donker stond ik ervoor. Het duurde lang, geen echo van voetstappen
antwoordde op het gedreun van de klopper, die ik telkens weer liet
vallen.
Vlokken woeien in het rond. Ik drong mij in de nis, ik stond er zo lang
dat ik te verstenen dacht, één te worden met de muur. Ten
slotte ging toch een luikje open. Een benige hand hield een walmende lantaren
voor zich uit, en wenkte mij in het licht te komen. Ik vertoonde mij en
meteen enige geldstukken. Daarop ging het luik dicht, maar na een wijle
kwam een andere hand en een stem beval: “Als gij niets hebt dan geld kunt
gij niet binnenkomen, maar in het tuinhuis slapen. Indien gij iets anders
hebt, toon het.”
Toen hield ik mijn beeldje op mijn hand voor mij uit. Terstond vlogen de
beide poortvleugels open, ik stond in een gang met spitsgewelf, werd bij
de hand geleid, en steeds dieper bukkend, kwam ik in een diep, laag vertrek,
waar een monnik aan een oude tafel zat, het gelaat door een kap bedekt.
Hij heette mij welkom, zwijgend, wees zwijgend een zetel aan, stiet toen
met een stok tegen de zoldering. Na lange tijd kwam een man binnen, dezelfde
die mij open had gedaan; ik herkende hem aan de buitengewoon lange, knokige
hand, die nu een schotel linzen droeg. Deze zette hij voor mij neer, een
stoffige fles ernaast, en ging weer heen. Terneergedrukt door deze stomme
gastvrijheid van de onderwereld, at en dronk ik toch, ik wilde een vraag
doen, maar het was mij te moede of ik een steen in een afgrond ging werpen
en eindeloze echo's wekken, dus at en dronk ik zolang ik kon.
Eindelijk:
“Is de gelofte van het zwijgen eeuwig bindend?”
“Ik ben de enigste die spreken mag, maar ik behoor ook niet tot het nachtelijk
koor. Mijn stem heeft geen macht meer, maar kan overdag nog dienst doen
en moet toch omgang plegen met de wereld. De anderen zijn uitgeput van de
nacht, geen kan de poort opendoen, onze wijn verkopen, onze bezoeker ondervragen
en over ziin toelating beslissen.”
Ik zon verder hoe hem het geheim te ontrukken, al etend en drinkend, maar
ik vond niets en kon de maaltijd niet langer rekken. Hij zag het en stond
op om mij weg te brengen. Toen waagde ik:
“Om te luisteren ben ik van het einde der wereld gekomen. Moet ik zo
heengaan?”
Hij ging tegen de tafel leunen en bezag mij.
“Weet: geen sterveling kan deze ijzingwekkende, snelle zang door zich heen
voelen gaan zonder verlamd te worden door de trillingen die zijn klanken
opwekken. Ons klooster is wel het omgekeerde van dat andere in het zonnige
dal aan de voet van de Pyreneeën, waar de kreupelen genezen vandaan
komen, de miraculeuze maagd prijzend. Hiervandaan keren de pelgrims —
en alleen de krachtigsten halen het steile pad—levenslang verminkt
terug, en eeuwig stom, àls zij terugkeren.”
“Mij kan niets verschrikkelijkers overkomen dan wat ik reeds beleefde. Alle
verschrikkingen van twee jaar oorlog bliksemen soms in een seconde door
mij heen. Laat mij toe.” Zo smeekte ik, maar kreeg geen antwoord meer.
De beide kaarsen naast het bord waren opgebrand, de schemering in de kamer
waggelde naar het duister. De deur ging open, ik moest hem volgen en nog
wist ik niet waarheen hij mij bracht: naar het mysterie of onherroepelijk
ervandaan.
In een lage cel was een smalle krib tegen de drie muren aan als een hoge,
zwarte drempel. Hij wilde mij hier laten en had de deur al bijna dicht,
maar ik kon mijn voet er nog tussen zetten. Hij zwichtte en kwam weer
binnen.
“Door de deur waar wij zijn binnengegaan, is het niet. Maar als het voor
u bestemd is, zullen de muren zich openen, al waren er tien tussen u en
wat gij zien wilt. Leg u neer en wacht, slapend of wakend, dat is hetzelfde.
Velen waren hier een nacht, sliepen niet, zagen niets, en gingen heen, overtuigd
dat zij waren bedrogen. Enkelen zagen en werden dood gevonden. Wilt gij
nog terug?”
Tot antwoord strekte ik mij uit op de krib en keerde het gezicht naar de
muur.
De deur viel in het slot. Ik had niet het gevoel dat dadelijk in een nauwe
afgesloten ruimte opkruipt. Ik tastte langs de muur, zoekend met mijn nagels
of er scheuren in waren, maar overal gleed ik langs een gladde wand, glad
en klam. Toen liet ik mijn handen naast mij liggen op het ruige dek, alsof
ze niet bij mij hoorden. Zo trachtte ik ook mijn lichaam te verliezen, zonder
in te slapen.
*
In de nacht begon het te lichten, eerst vaal als een morgen voor het
verre einde van een grot, toen bruin als door barnsteen of hoorn gezien.
Daarachter zag ik een muurvlak, gedaanten half daaruit getreden, ervoor
een zwarte omgewoelde grond en weer gedaanten, in halve kring geschaard.
Diep in de wand, in krampachtige spanning, heiligen met strakke, smalle
gelaten en verwrongen armen, uitgestrekt naar een onbereikbaar heil, madonna's
met gespitste borsten, maagden met opengesperde ogen alsof zij het verschrikkelijke
voor het eerst doorleefden. Die daarvoor, in donkere pijen, leken rustiger,
maar uit hen sprak een moeheid als gebroken tussen twee bovenmenselijke
krachtsinspanningen: schakels van een zwarte keten afhangend van twee madonna's
die uit het bas-reliëf bijna geheel bloot stonden.
Langzaam zag ik meer en meer door de rijen der wachtenden heen. Toen viel
het mij met snelle doodsschrik in dat zij daar stonden als voor een graflegging.
Het was als vroeger, daarginds, 's nachts bij een kuil die zwart in de sneeuwvelden
gaapte.
Een graflegging. Ik zag geen kuilgroeve, geen spade. Was het een afschuwelijk
ritueel dat de veroordeelde eerst zelf zijn graf met de handen openwoelde?
Was dit de foltering, dit machteloos aanzien? Maar wie was het? Ze waren
allen gelijk. Was ik het zelf? Maar was ik niet onzichtbaar voor hen? Of
wisten ze van mijn aanwezigheid en wachtten ze alleen tot ik mij door een
kreet zelf verraden zou? Toen ik dit bedacht, voelde ik een schreeuw in
mijn keel groeien, maar terwijl ik voelde dat ik mij verraden ging, begon
het daarbeneden bij een der monniken, ik weet niet welke. Laag en zacht
en langzaam, in slepende deining, plantte het gezang zich voort, onaards,
ongehoord. Soms leek het in de verte op een ontaarde orfische ode uit de
schemerige tijden, toen de mysteriën ver in Rusland drongen en daar
verloren gingen. Eindelijk—de traagheid werd onduldbaar—was
het uiterste bereikt, toen sloeg de zang om, golfde op in een zinsverwarrende
snelheid en achter een wal van geluid viel een dof schot uit het midden
van de wand, waar een engel een bazuin stak, plomp als een bronzen
vuurmond.
En de aarde opende zich—alsof op het weke donker in hun midden een
grote bloedvlek snel en grillig zich uitbreidde, toen een gat, golvend rond
als de mond van een oerdier Een zwarte harenkrans dreef, en daaronder een
gelaat (werdt Gij weer geboren, maar niet uit de lichtgroen vliedende zee,
neen, uit de zwarte aarde van deze tijden?)—haar gelaat, hoe schoon,
hoe gefolterd! Haar grote ogen. Troebel en gesperd in deze
baringsangst.
Weer viel een schot, de litanie steeg tot een wanhoopskreet, een doodsgeschrei;
bijna met een schok kwamen haar schouders vrij en haar borst, met aarde
bedekt maar dadelijk smetteloos blank als door een wervelwind. Het gezang
vlaagde onder de gewelven. “Sneller!” smeekte zij nu zelve met vertrokken
mond; haar armen kwamen vrij, eerst vlak en machteloos aan de grond nog
gehecht, maar duizelingwekkend joeg het gezang nu en zij verrees. Ik wilde
instemmen, maar lucht, muren, bogen stonden in trilling en mijn stem werd
in mij teruggedrongen, zodat ik mijn lippen moest samenpersen om niet te
stikken. Nu was zij bloot tot haar middel, maar alsof zij het minderen van
de macht van het verlossingslied voelde komen, steunde zij zich op haar
handen en wrong zich in de afgrijselijke greep der aarde. Hoe moest haar
nog bedolven lichaam niet lijden! Ik stiet hese klanken uit, het gezang
dreunde door mijn lichaam dat bezweek. Nog kwam zij hoger. De monniken wrongen
zich, grepen elkaar, omklemden kruisen, om adem, om kracht. Bijna kon zij
zich buigen. Maar het was het einde, het geluid stortte ineen als een ondermijnd
paleis, de meesten vielen ook, enkelen hielden nog aan als de laatste zuilen.
Zij zonk. De handen weerstreefden nog. Het hoofd hing neer op haar schouder.
Toen sprong ik, was bij haar, wilde een reddingsboei met mijn armen vormen
om haar drijvend te houden boven de zwarte dood.
Zij fluisterde met halfopen lippen: “Geen waagde zich zo ver.
Maar het is toch vergeefs. Laat los.”
Ik schreeuwde: “Laat mij méé ondergaan!”
“Daarvoor is het nog te vroeg. Later, alsje de weg nog weet. Ga nu, het
laatste mag je niet zien.”
Ik bleef vasthouden, maar zwarte zware lichamen vielen over mij heen. Ik
verloor mijn bezinning.
—Op mijn krib lig ik, mijn handen zijn gewond. De vader is bezig ze
te verbinden. Ik hoor mijn stem aldoor hetzelfde prevelen. “Niet meer graven,
niet meer zingen. Het is meer dan tienduizend meter diep. Al mijn slaven
laat ik komen. Slaven richten piramiden op, reikend tot in de eeuwigheid.
Slaven zullen haar uit de aarde halen, de eeuwige.”
“Onmogelijk. Wij weten niet waar ze ligt. Denkt gij dat het hieronder is?
Wij weten niet waar ze ligt. Zoek liever het eind van het lied. Ze houden
niet op omdat ze niet meer kunnen, maar omdat ze niet meer weten.”
“Waarom martelen ze haar dan?”
“Omdat er een nacht kan komen dat het zichzelf verder zingt. Of omdat er
één kan komen die zich herinnert. Zoek het. Als het nog op
aarde is, moet het liggen in een van de kloosters van Kiew in de archieven.”
“Zou ik daar haar redding moeten zoeken, in boeken, onder stof, in de gehate
tomben waar al zoveel leven ligt begraven? Waanzinnig zou ik worden en mijn
geest zou blijven tussen twee gele bladzijden, terwijl de letters om mij
heen zouden warrelen als dorre blaren over een zerk. Laten wij graven.”
Maar de monnik is verdwenen. Ik sta buiten. Het klooster is bijna onzichtbaar
achter de regen. Ik tast de muur langs met mijn verbonden handen, maar de
poort is niet te vinden. Zal ik hier omkomen? Dan is alle kans verloren.
Ik keer mij om en daal het pad af.
—Ik ben op weg. Op een klein paard. Het richt zich vanzelf naar het
noorden. Het weet waar mijn grond ligt, achter Samara. Beiden zijn wij daar
geboren, in een holle zaal achter kleine loden ruiten ik, in een donkere
stal hij. Er is niet zoveel verschil. Ik voel mij met hem vertrouwd, nu
mij van alle levende mensen die gapende kuil, dat onvindbaar levend graf
scheidt.
Ik ga niet naar Kiew. Ik zal niet het klooster laten slopen door een leger
van doodgravers. Ik zal geen onderaardse gang laten graven van mijn grond
naar de Krim. Want nu vréés ik dat zij zou worden gevonden.
Nu vrees ik dat zij gevonden zou worden als een langgeleden begraven dode.
En nog een vreselijker vrees: dat een ander dan ik het zal weten, dat zij
het zal horen en levend voor die ander zijn.
—Ik bewoon nu het hele slot, ik reis erdoor, ik slaap in alle vertrekken.
In de legerstede, die is als een eikehouten tombe, waarin ik ben geboren.
In de grafkelder, in de groeve die voor mij bestemd is. Dicht bij de aarde.
Dicht onder het dak. En overal daartussen. In de kapel laat ik de vloer
openen, de tegels wegruimen, en ook daar zal ik slapen.
—Vannacht zal ik het horen, het eind van het lied. De aarde zal het
mij zingen. De aarde zal mij haar geheim uitleveren, maar mij meteen tot
zich nemen voorgoed. Vannacht zal ik het horen, terwijl zij daarginds halverwege
verrijst, maar terwijl ik verder hoor, zal zij weer zinken ginds en dan
ik hier. Het is te ver. Weet men het onherroepelijke? Het geheim meenemen
in zijn graf. Ik ben zo bang dat ik dit niet doe, welk een doodsangst te
meer: dat een ander, later, het zal horen, die het wel overleeft, die haar
aan het licht brengt, terwijl ik daarbeneden blijven moet, want mij wordt
geen lied gezongen.
Toch, de aarde zal mij doorlaten, ik zal op haar stoten en vragen of zij
nog wil worden verlost. Als zij door wil stijgen naar het licht, dan zal
ik haar laten ontkomen en de verlossers aanvoeren, voorbij hun grens. En
ik zal blijven in haar plaats. Maar als zij op de aarde wil terugkeren en
voor anderen wil zijn, terwijl ik al tot het eeuwig duister veroordeeld
ben, dan zal ik het niet zover laten komen, en zwijgen, en mij verheugen
in haar verijdelde verlossing. Ach, ik hoop dat deze angst en wraak niet
meer nodig zullen zijn, en dat wij eenvoudig samen voorgoed het rijk van
het duister kunnen blijven bewonen. Misschien wijst het lied ons de levenswijs
der doden. Vannacht zal ik het horen, het eind van het lied.