“0, Allah! de zielloze aarde zendt Gij na een tijd van droogte en verschroeiing toch eindelijk lafenis: Uw bevruchtende regen.
Maar o, Allah, wanneer zult Gij mij rijkdom zenden, mij die van armoede en ontbering ben verschrompeld!
0, Allah! als Gij U eindelijk ontfermt, zend mij dan ook een Uwer liefelijkste dochteren om de genade die Gij gaaft met mij te delen. Samen zullen wij Uw naam loven, iedere morgen voor de maaltijd, iedere avond voor de omhelzinge, Allah: hoe kan ik mij anders Uw verknochte dienaar tonen?
Ging ik nu ter pelgrimstocht, ik verliet slechts een ellendig bestaan. Waar was de deugd? Zend mij rijkdom, en Gij zult zien dat ik mij toch opmaak en de lendenen omgord.
Zend mij Uw engel; ik zal mij losmaken uit haar heerlijke omhelzing, haar koele armen, om de felle hitte van de verre woestijnen, zo schaars door U van oasen voorzien, het hoofd en de voetzool te bieden, en aldus onweerlegbaar U te bewijzen dat ik alle wereldse weelden verzaak, dorstend naar het kussen van Uw Heilige Steen.”
Dit kunstig geformuleerd en vurig gebed had Hassein van een voornaam schriftgeleerde gekocht. Een week loon gleed in de wijde zakken van de priester. Maar voor hem betekende dit hetzelfde als voor de westerse arbeidsslaaf een lot uit de loterij: een sprankje hoop op een beter leven, op bevrijding uit levenslange dwangarbeid.
Hassein bad meest in de avond als de zon eindelijk op hield hem te folteren. De ganse dag zengde zij door de raamgaten van het vierkante houten havenkantoortie op de kale havendam. De planken stonden krom van de hitte, de huid van de ongelukkige klerk was door en door gelooid. Op het heetst van de dag vielen de spinnen en muskieten bezwijmd van de zolder in zijn inkt, in zijn koffie, soms ook middenin de meditatiën waarin hij vaak gedompeld was, want Bassora was een haven, waar slechts zelden de rumoerige schepen der Franken de reine rimpelloosheid van het water kwamen verstoren. Zijn gramschap had hem nog een ander gebed ingegeven en het geld van de moefti ultgespaard. Dit slaakte hij als de hitte hem te machtig werd.
“Kwel niet met Uw stralen, o Allah, Uw vurige aanbidders, opgesloten in hun kluizen, Uw vaardige pelgrims, met hun kale kruinen en barre voeten door de woestijnen trekkend. Verenig ze, kies tot hun brandpunt Yezi Azids hoofd en boor ze door zijn schedel. Hij bidt nimmer, hij houdt geen ramadan, hij heult met de ongelovigen, bezoekt hun huizen, drinkt hun opwindende drank, en Uw waarschuwingen slaat hij in de wind. Sinds jaren hangt zijn linkerhand neer, machteloos ter aarde wijzend: ‘Daarbeen gaat gij.’ Voltooi Uw werk, maak U niet belachelijk, laat U niet honen; hij misbruikt Uw naam, vel hem neer, de spotter met de Wet, de renegaat.”
Maar Yezi Azid was niet zo'n monster van ondeugd als zijn neef hem voorstelde in dat gebed.
Een eenzaam grijsaard, in alles wat het leven de ziel geeft en weer ontneemt beproefd, vol wrok Allah zijn nood verwijtend. Door zijn geloofsgenoten geschuwd, leefde hij eenzaam en in plaats van de koran las hij de dwaalleren van Voltaire, de grootste godloochenaar die de zon beschenen heeft, die toch over heel wat onrechtvaardigen is opegaan.
Kasem Hassein, de havenklerk, was de zoon van zijn vijftien jaar jongere zuster, die hij aanbeden had en met weelde omringde, tot op de dag dat zij hem bekende te willen huwen. Hij sloot zich toen op in zijn vertrekken en bleef ongenaakbaar. Maar een andere dag kwam; zij drong tot hem door, wenend; de onverlaat had haar verstoten, Yezi Azid verheugde zich in zijn hart. De zwarte dag kwam waarin zij een zoon baarde en zelve stierf. Hij vloekte de verleider die haar bezwangerde en verstiet, de zoon die haar doodde en Allah die dit ten hemel schreiend euvel toeliet. Het kind Hassein wilde hij niet zien, de roep van de muezzin gaf hij geen gehoor meer en hardnekkig wendde hij het gelaat van Mekka af, zodat hij soms op straat moest lopen met achteromgedraaid hoofd, tot spot van de burgers van Bassora.
Vanzelf, daar geen sterveling zijn bestaan kan rekken zonder verkeer met medeschepselen, sloot hij zich aan bij de ongelovigen. De Franken ontvingen hem graag, zich vermakend met zijn schimpen op Allah en zijn stadgenoten. Hij volhardde erin zijn neef niet te zien. Eens echter, op het uur waarop hij gewoonlijk bij een whiskey insliep, terwijl de muezzin van de minaretten riep, op de dag, zestien jaar na die welke de dood van zijn zuster had aanschouwd, kwam een dienaar binnen, misbaar makend. Yezi Azid sloeg de ogen op en greep een zware koperen vaas die naast hem stond. De man ving zijn arm op en knielde naast hem neer.
“Vergiffenis, meester! Hassein is niet naar de moskee gegaan.”
“Wat gaat mij dat aan?”
“Hij is nu ergens anders.”
“En waar is hij dan, dat ik middenin mijn slaap gestoord word?”
“In uw harem, meester.”
Yezi Azid liet zich door een slaaf achter een gordijn brengen en waarlijk, daar zag hij zijn neef Hassein en zijn favoriete omstrengeld. Hij trad binnen. Hij behoefde de minnenden niet te scheiden: Hassein vluchtte en Zuleïka wachtte gelaten de slagen af. Maar Yzei Azid trok zijn beurs. “Ga hem achterna, hondin.”
Zo was Kasem Hassein op zijn zestiende jaar een verjaagde, werd een zwerver en kwam op het havenkantoor terecht, waar hij zat voor een belachelijk loon, dubbel ongelukkig door de herinnering aan de weelde van zijn jeugd, troost zoekend in het gebed, hopend op de toekomst, op de dood van Yezi Azid, waarop hij al heftiger bij de Almachtige aandrong.
Allah haastte zich evenwel niet. Yezi Azid zette straffeloos zijn godslasterlijke levenswandel voort en Hassein droogde uit als de planken van zijn kantoor. De dagen waarop slechts tolvrije vissers, geen vreemde stomers binnenvielen (dat waren de meeste), zat hij in de donkerste hoek gehurkt en niet zelden bleken zijn mijmeringen in sluimeringen verkeerd te zijn, als de havenmeester binnentrad en zijn stok op Hasseins magere rug liet dansen en hem onder scheldwoorden naar zijn telraam terugjoeg. Voor ontslag hoefde Hassein niet te vrezen; hij was immers een gelettered jonkman en wie anders zou deze post begeren?
Op een hete middag was hij toch weer biddend in slaap gezonken. Hij zag zich liggen in een koele binnenhof en tuurde naar de waterstraal die uit het marmeren bekken sierlijk opspoot en klaterend neerviel.
Daar greep een hand zijn schouder. Hij sprong meteen op, betogend dat hij niet slipe doch uit zijn hoofd rekende. Maar toen hij zijn ogen ook open had, zag hij niet in de bloeddoorlopene van de havenmeester noch tegen diens paarse neus die als een paddestoel tussen de vlezerige wangen in stond, neen, een grijze baard raakte kittelend zijn kin en met opmerkzame blikken zag hem ... de kadi, ja, deze was het!
“Ik heb niet gestolen, geen cijfers vervalst, geen smokkelaars geholpen,” kermde Hassein, door deze onverwachte aanblik nog meer ontzet.
“Al ware het, heden zijt gij de rijkste burger van Bassora. Uw oom Yezi Azid is vanmorgen plotseling gestorven. Men heeft geen testament gevonden; uw oom heeft zich zeker onsterfelijk geacht. Hoe het zij, gij zijt zijn enige bloedverwant en erfgenaam.”
Hassein was jarenlang een stille bidder geweest. Nu werd hij een huilende derwisj gelijk. In zijn brein woelde het zodat zijn lichaam opsprong, stuiptrekkend, om de havendam af te rennen, de stad in. Maar de kadi drukte hem neer op zijn kussen.
“Wacht u voor de spot der menigte. Rijkdom zonder waardigheid is monsterlijk, is een vloek.”
“Wat geef ik om waardigheid? Iedereen in Bassora weet dat ik door mijn oom werd weggejaagd en als slaaf van de havenmeester jarenlang in dit hok, zwetend en honger lijdend, zat. Zij verachten mij, wel, ik veracht nu hèn, ik zal hen verblinden met de glans van mijn rijkdom! De kooplieden zullen hun waren aan mij verkopen, de ouders hun dochters. De huizen der aanzienlijken zullen zich niet voor mij openen? Het zij zo! Ik zal trouwens spoedig naar Mekka gaan.”
“Hassein, luister. Voor een twintigste der erflating ontdek ik dat gij een naneef van Omar de Grote zijt. Mijn draagstoel staat voor. Stap in met mij en kom in mijn huis dat altijd openstaat voor onverwachte vrienden. Kom.”
Hassein voer met de hand over zijn voorhoofd. Hoe? Dadelijk een twintigste af te staan van de schat, die hij nog niet eens in handen kreeg? Maar vier negers kwamen voor met een prachtige draagstoel, de kadi gaf hem minzaam de nad om in stappen, deed hem naast zich neerzitten onder het geborduurd baldakijn; hij kon niet meer bezinnen, niet meer terug...
Als arme schamele zwoeger was hij die morgen nog de havenwal opgegaan op versleten sandalen, met een vuile tulband, en zo zat hij nu naast de kadi. Was hij dezelfde? Hij deed zijn intree in het nieuwe leven. In de stad deed de kadi, aldoor druk pratend, de gordijnen van de draagstoel dicht.
Dus bewoonde Kasem Hassein het weelderig paviljoen dat de kadi hem had afgestaan,—o, tegen een niet overmatig hoge huurprijs,—baadde zich in rozenwater van Sjiras, kleedde zich in kostbare gewaden uit Mossoel en Bagdad en voedde zich met lekkernijen. Het verleden was weggevaagd. Alleen een gelofte, in de oude tijd afgelegd, stond met zwarte letters op de gouden muren van zijn gelukzalig lot geschreven.
“... zal ik U bewijzen dat ik de wereld verzaak, dorstend naar het kussen van Uw Heilige Steen.”
En thans? Zijn gebed werd steeds kortstondiger, vluchtiger. Aalmoezen gaf hij wel, maar de moskeeën vermeed hij, want daar meende hij de vermanende stem sterker te horen. En de moefti's van de stad zeiden tot elkaar: “De neef aardt naar de goddeloze oom. Allah voere hem ten verderve voordat hij erfgenamen verwekt, dat zijn rijkdommen aan de kerk vervallen.”
Hassein had een bange droom. De Kaäba zweefde als een zware donderwolk boven zijn leger, dreef hem zijn huis uit, de stad uit, de dam op, hij zat weer op ziin kruk, in het havenkantoor, de zoldering ging open, en zwart en zwaar zakte de Ka&aunl;ba neer, het vertrek vullend als een zerk een graf, hij kon niet uitwijken en voelde de verbrijzeling aankomen.—Schreeuwend werd hij wakker en sliep niet meer. De andere ochtend bracht hij een bezoek aan de moefti van wie hij vroeger zijn gebed had gekocht: “Hoe bereik ik het vlugst en het veiligst Mekka?”
De moefti omhelsde hem. “Hebt gij u eindelijk weer opengesteld voor het licht van het geloof? Een karavaan legert buiten de zuiderpoort, gereed tot vertrek. Bekleed u met de grauwe pij der kalenders en trek met hen op naar de heilige stad.”
“Eerwaarde, ik heb veel last van eksterogen. Kan ik niet in een draagstoel of op een kameel gaan?”
“De rovers die gij onderweg ontmoet, zouden u spoedig tot uitstappen dwingen.”
“Is het dan zó gevaarlijk? Waarom verdelgt Allah niet deze honden, die Zijn gelovigen verscheuren?”
“Wat ware de geloofsijver indien de tocht naar Mekka een zorgeloze wandeling was? Allah beeft hen als toetssteen op de weg naar de hellige stad geplaatst. En ook de bedoeïenen zijn rechtgelovigen, ook zij brengen schatting en komen bidden op het graf.”
“Wat kan ik dan doen om veilig te reizen?”
“Weer de hulp van ons krachtig gebed en van onze zeer heilige moskee inroepen. Schenk duizend dinaren en wij bidden u door alle rovers en alle samoens veilig heen. Heeft ons gebed u niet tot uw tegenwoordige staat geholpen?”
“Waar Allah zelf, noch de beheerser der gelovigen ons kan beveiligen, zal uw gebed uit de verte dit zeker niet vermogen.”
Hassein ging naar huis, vervolgd door de schimp van de woedende moefti.
Maar 's nachts had hij weer een angstdroom. Hoe kon hij Allah bevredigen, zijn rijkdommen behouden en zijn vege leven niet in de waagschaal stellen?