De eenzamen
- Stil sta ik in de steppe,
- De doffe zon gaat onder,
- De schrale maan verschijnt.
- Het gras dampt, klam en vochtig,
- De grond blijft stijf bevroren
- In heete korte zomer:
- ’t Blijft winter in de zomer.
- De klokjes zijn nog hoorbaar,
- Het rulle spoor nog zichtbaar,
- De kar is al verdwenen.
- Ja, alles gaat, verdwenen…
- Wat over is gebleven
- Is lief maar onvoldoende
- Om op te leven.
IV.
- --oOo-- -