Angústia
- De zee trekt onder de nacht
- Naar vele verlaten stranden;
- Als een vloeibare wind is zijn klacht,
- En zout, zoals tranen branden.
- Ik voel dat overal waar de
- Branding in snikken breekt
- Tegen de kusten der aarde,
- Mijn leed met zijn golven smeekt
- Om de verloren genade
- Jou weer nabij te zijn.
- Ik wil van mijn schip af waden
- Naar iedere einderlijn.
- Want nergens en overal,
- Als ’t licht van de maan uit de wolken,
- Doolt mijn verdriet door ’t heelal
- En wil zich verdrinken in kolken.
- Maar ik weet dat de zee en ik
- Des nachts hetzelfde voelen,
- Om één leed tezamen woelen
- Op ’t oeverloos bed tot een snik.
- Zo zocht ik om te vergeten
- Dat ik alles verloor om een vrouw;
- Maar waar hij ook door haar schijnt bezeten,
- Word ik toch weer gedompeld in rouw.
Uit: Al dwalend XI.
- --oOo-- -