Het Zangspel
- Een kalme, wijde nacht. De volle maan
- hoog en alleen boven de ronde boomen,
- die bij elkander op het voorplein staan,
- en waaromheen zich 't uur ligt te verdroomen.
-
- Een menigte op den ongelijken grond
- en op de langzaam afdalende treden,
- die als een schelp van ruimte en duister rond
- den voortgang liggen van het spel beneden.
-
- Schoone gestalten, levend in het licht,
- lenige knapen, rustig ranke vrouwen,
- in den zangerigen schemer opgericht,
- waarbovenuit gebaren zich ontvouwen.
-
- Dan, —men weet niet vanwaar, —het diep geluid,
- dat om ons gonzen komt uit bronzen schalen,
- 't afzonderlijk geneurie van een fluit,
- dat voor zich heen den nacht schijnt in te dwalen.
-
- en de voltrekking der gewijde sprook,
- van mond tot mond door eeuwen heen gedragen,
- en waar rondom iets drijvende is als vlagen
- van offergeuren en van altaarrook.
-
- Uren aan uren gaat het schouwspel voort.
- Niets is er, dat zich roert onder de kronen
- die zooveel jaren heugenis bewonen,
- niets, dat het in zichzelf volmaakte stoort.
-
- Langzaam, als lichte vogels, komt een vlucht
- van kleine wolken in den hemel glijden.
- Dan later, is het leeg weer aan de lucht. —
-
- Een speeltuig blijft de stilte begeleiden.
Uit de bundel Verschijningen, 1924.
- --oOo-- -