De Wegen
- Alom, in 't Javaansche land,
- gaan de wegen, —gaan de wegen
- donkerte in en zonnebrand.
-
- Waartoe, waartoe voeren zij ?
- Tot de verten, —tot de verten
- van de kim, en daar voorbij.
-
- En tot de verheven rust
- der geweldige vulkanen
- gaan zij op vanaf de kust.
-
- Hoever men ze langs kan gaan?
- Tot het einde, —tot het komend
- einde zelf van dit bestaan.
-
- En waar men zich vindt gebracht?
- Voor de stilte, —voor de koele
- diepe stilte van den nacht.
-
- Eenmaal is een wandelaar,
- zegt men, langs de late wegen
- 't avond-hoogland in gestegen
- tot den verren zoom, vanwaar
- men de wereld overziet.
-
- Telkens hooger klom zijn lied,
- en nog lang, nog lang nadien
- heeft zijn klare stem geklonken.
-
- Niemand heeft hem weergezien.
-
- Maar bij tijden, naar men zegt,
- als zich de avond zonnedronken, —
- zóó een pauw, die staat te pronken, —
- wijd over de wolken legt.
-
- als nabij den kraterrand
- schaduwen en vreemde schimmen
- de verlatenheid beklimmen
- waar de roode zon in brandt.
-
- ziet men in die wildernis
- over hellingen en holen
- eenzaam een gestalte dolen...
-
- En opeens wordt men 't gemis
- zich bewust van wat in 't leven
- nimmer te verwerven is.
Uit de bundel Verschijningen, 1924.
- --oOo-- -