De wagen
- Kom, den sluier omgeslagen
- en het al omhullend kleed:
- buiten is de wonderwagen
- met zijn driftig hart gereed,
- om ons ruimten in te dragen,
- wijder dan waar ‘t oog van weet,
-
- Kom, ons beelden te vergaren,
- later weer indroom begroeten
- morgenweelde te bewaren
- in het sneller-jachtend bloed,
- en het leven in te varen
- en de bergen tegemoet.
-
- Kom, ons beelden te vergaren,
- later weer in droom begroet,
- morgenweelde te bewaen
- in het sneller-jachtend bloed,
- en het leven in te varen
- en de bergen tegemoet.
-
- Kom, de toppen te zien blinken-
- en de huizen, ver en klein,
- en het dal te zien verzinken
- in den wijden zonneschijn,-
- en de zaligheid te drinken
- van alleen en vrij te zijn.
-
- Sneller aldoor gaan de boomen,
- gaaan de woningen voorbij.
- Tot den overweg gekomen
- wijken en verdwijnen zij,
- en de verte ligt voor dromen
- open, en voor liefde vrij.
-
- Kom, de kameren gaan open
- van de wachtende natuur:
- alles staat van licht bedropen
- in dit zondoorzonken uur,
- en de paden zijn doorslopen
- overal van trillend vuur
-
- Langzaam, van den voet gestegen,
- windt de wagen zich omhoog.
- Hellingen terzij bewegen
- voor het ruimtedronken oog.
- Donker staan de wouden tegen
- den verheven hemelboog.
-
- Donker, in hun kring gesloten,
- staan zij op en houden wacht
- houden veilig zij de groote
- koelte in zich van den nacht,
- staan zij in de lucht gestooten,
- met hun duisternis bevracht
-
- Waren wij de vlakte onvloden
- om de toppen, hard en naakt,
- in den zwaren donkerroden
- avondgloed te zien geblaakt?
- Ach,- ons voeren schaduwpaden
- op in het geluk alleen.
-
- Kom, de glooiingen geleiden
- in die eindelijke rust,
- waar de stilte voor ons beiden
- stilster wordt van leed en lust.-
- en het diep genot te drinken,
- van de wereld vrij te zijn.
Uit: Getijden, 1917.
- --oOo-- -