De Vulkanen
- Als donkere onverganklijkheden
- van stilte, als werelden van rouw
- tusschen het uitgestrekte blauw
- des hemels en het land beneden,
- als onweerstaanbaren, die tot
- het eeuwige zich intocht banen
- vanuit het schamele aardsche lot,
- staan boven Java de vulkanen.
-
- De regen ruischt
- en ritselt om hun zijden,
- de schemer huist
- om hun gestalten heen,
- boven het land,
- zijn verten en zijn tijden,
- staan zij geplant,
- ontzaglijk en alleen.
-
- De wolken uit
- en nevelrijke streken,
- aan elk geluid,
- aan elken drift ontvlucht,
- rijzen zij op
- in 't morgenlicht, en steken
- hun gaven top
- de stilte in van de lucht.
-
- Tot van zijn vuur,—
- om hun rijzige leden,—
- het middagsche uur
- de felle vlagen slaat,
- tot in den nacht
- met zijne onzienlijkheden
- de late pracht
- van 't zonlicht ondergaat.
-
- Dan stijgen zij,
- in eenzaamheid gesloten,
- 't rijzend getij
- van stilte en donkerte in,
- en om hun hoofd,
- den hemel in gestooten,
- vloeit het gedoofd
- licht af in 't nachtbegin.
-
- Zoo staan zij rank
- omhoog, tot in den morgen
- de wereld blank
- en bloeiend wordt in 't rond,
- maar in den rand
- van dooden steen verborgen,
- diep in hen, brandt
- de vreeselijke wond.
-
- Als eeuwige ontoeganklijkheden
- van stilte, als werelden van rouw
- tusschen het onmeedoogend blauw
- des hemels en het land beneden,
- met hun omhoog gestoken vanen
- van damp, in statig evenwicht
- langzaam uitrollend in het licht,
- staan boven Java de vulkanen.
Uit de bundel Verschijningen, 1924.
- --oOo-- -