Vorstenlanden
- Over oude bruggen, oude wegen,
- aldoor kronkelt de bevolking zich,
- en den open hemel ingestegen,
- staan de berzen. ver en zilverig.
-
- In het gele en bruine landschap zetten
- naar den einder zich de lanen voort,
- met haar wijdvertakte schaduwnetten
- op den bodem, elk een diepe poort
-
- van opvolgende geruischlooze uren.
- Ronde looverschermen hangen af
- uit de scheemringen, die eeuwig duren, -
- als over de stilte van een graf.
-
- Grauwe tempelbouwvallen, terzijde
- van den heerweg, heffen in het licht
- van den morgen de van ouds gewijde
- vormen der versiering. Opgericht
-
- in het zich bewegingloos voltrekken
- van den naderenden middag, staan
- zij bijeen, tusschen de leege plekken
- waar het oogstwerk al is afgedaan.
-
- En nabij de bochtige rivieren
- ligt de grond, verweerd en ruig en rood,
- tot omlaag, waar menschen zich en dieren
- badende dooreenbewegen, bloot.
-
- Als in trage karavanen rijden
- de overhuifde karren, een voor een
- door den buffel met zijn logge zijden
- stapvoets meegetrokken, langs ons heen,
-
- en in onafzienbaar diepe drommen, -
- overal waar in het veld, tot aan
- de eerste heuvels, zich de wegen krommen, -
- ziet men rustig de bevolking gaan.
-
- In hare effen donkerblauwe kleeren,
- of zij niet dan dit gewaad bezat,
- gaat zij voor zich, in den dienst der heeren,
- die in aanzien leven in de stad.
-
- In den dienst der sombere rijksgrooten,
- die nabij een afgezonderd plein
- van den kraton met hun feestgenooten
- om het schimmenspel tezamen zijn.
-
- Onder 't afdak, dat het licht vermindert,
- geen beweging, die de stilte stoort.
- Uren, uren lang gaat ongehinderd
- voor hunne oogen de vertooning voort,
-
- en over de roerloosheid der dingen
- rimpelt zich, als een geheimenis
- uit de ruimte, 't nauw waarneembaar zingen
- van muziek, die zelve een stil zijn is.
-
- Buiten, langs de wijdgebaande paden,
- van de stad, gaat hier en daar een stoet
- edellieden met hun siergewaden
- 't ons verborgen uitzicht tegemoet
-
- op begroetingen, op wapenschouwen
- en op wat zich verder voordoen mag
- in 't beslotene der hofgebouwen,
- in de verten van den leegen dag.
-
- Onverschillig, bij hun kleine kramen
- zitten de verkoopers op den grond,
- hurken in de schaduwvlakken samen
- tot het ingaan van den avondstond,
-
- en hoog uit boven de kampongdaken
- hangen duiven in haar kooien, aan
- 't buigend uiteinde van bamboestaken
- 't middaguur zoetroepend door te maken.
-
- Ergens, in de verte, kraait een haan.
Uit de bundel Verschijningen, 1924.
- --oOo-- -