De Vlieger
- Zal mijn heftig hart bedaren,
- nu de reis begint
- om den hemel in te varen
- en den wilden wind,
- om in verten te verblijven
- waar de vogel roeit,
- waar de wolken langzaam drijven,
- van het licht omvloeid?
-
- Zal ten slotte ik op dien hoogen,
- op dien steilen tocht,
- de verlossing vinden mogen,
- die ik zoo lang zocht,
- zal ik voor het ongedachte,
- voor het wonder staan
- in de ruimten die ons wachten?
- Kom, —de reis vangt aan.
-
- Van het water opgestegen,
- hoog over de ree,
- zien wij al het land gelegen
- en de wijde zee,
- en de wolkenschaduw trekken,
- diep nabij de kust,
- en er veld na veld bedekken
- met haar koelte en rust.
-
- Uit het duistere geheven
- der onpeilbaarheid
- liggen, op hun witte reven,
- de eilanden gespreid,
- ieder in den ring geklonken
- van het gave strand,
- waar de zeedrift, zonnedronken,
- over bruist en brandt.
-
- En wij sturen, —en wij sturen
- in de klare lucht,
- aan den gang der eindige uren,
- aan den tijd ontvlucht,
- aan de verte ons toevertrouwend
- waar ons hart om hijgt, -
- wijder ziend en dieper schouwend,
- naar men hooger stijgt.
-
- Wijder ziend en vaster wetend
- naar men stiller leeft,
- naar men, eigen leed vergetend,
- eerlijker vergeeft, -
- eerlijker zich weet te schikken
- naar dien deelgenoot
- onzer eenzaamste oogenblikken,
- den getrouwen dood.
-
- Hoe eenvoudig, na dit even
- hoog als hel festijn
- der aanschouwing, zal het leven,
- zal de wereld zijn,
- nu dit einderwijd gewemel
- ons heeft toebehoord...
-
- In het licht, tegen den hemel,
- gaat de vlieger voort.
Uit de bundel Verschijningen, 1924.
- --oOo-- -