Het Vergezicht
- De wereld ligt met haar gewemel,—
- één niet te omvatten vergezicht,—
- onder de welving van den hemel
- als onder een gebouw van licht.
-
- Tegen de heuvels, in de straten,
- tot in de diepste verten zijn
- de menschen samen in den laten
- verzadigden namiddag-schijn.
-
- Hun vele kleedingen versieren
- 't rustige landschap.—In het rond
- zijn zij tezamen, en zij vieren
- het feest van dezen avondstond.
-
- Den nacht met zijn verzonkene uren
- gaat hun verwachting tegemoet,
- zijn stilten, die voor eeuwig duren.—
- Mijn God, wat is het leven goed,
-
- hoe zuiver staat over de landen,
- waarin 't aangolvende geluid
- der vesperklok met volle handen
- geworpen wordt, de nadag uit.
-
- De schemer valt, de wolken gloeien...
- Onder den wijden hemel ligt,
- met hare vormen die vervloeien,
- de wereld als één vergezicht.
Uit de bundel Verschijningen, 1924.
- --oOo-- -