Gesneeden Steenen
I
- Zooals de beeldsnijder gebogen
- zijn liefdevolle taak voltrekt
- opdat wat in hem werd gewekt
- zich voor zijn oog voltooien moge,
- zooals dan telkens bij zijn pogen
- zich in hem elke vezel strekt,
- opdat zijn schepping onbevlekt
- en onbeschadigd zij voltogen,
-
- en zooals hem de wereld rond
- dat eene beeld dan schijnt verdwenen,
- zooals uit alles om zich henen
- hij zich in de gewijde stond
- des wordens de bevrijding vond
- gebracht, —zoo sneed ik deze steenen.
II
- Het avonduur, dat wij besteedden
- in aandacht en verheldering,
- hield ons gevangen in zijn kring
- van heimlijke aangelegenheden.
- De nacht, in looden wolken, hing
- al dreigende uit over den breeden
- besloten boschrand, waar beneden
- een vijver nog wat licht ontving.
-
- Nabij den bodem, hier en daar,
- was er geritsel in de struiken,
- en als den schim van een gebaar
- zagen wij in den schemer duiken,
- alsof daar iets voor den geduchten
- terugkeer van het duister vluchtte.
III
- O, in uw teederheid te rusten,
- een donker man, en toch een kind,
- dat aan reeds lang ontvloden kusten
- ten slotte alleen voldoening vindt.
- Den toeverlaat, in levens lusten,
- te weten van uw stil, bemind
- gelaat, en van den wel bewusten
- zuiveren blik waarin gij zint.
-
- Veilig en diep in 't overgolven
- uwer genegenheid bedolven,
- zie ik de verre wereld aan, —
- en telkens meen ik het gebeuren,
- dat begenadigden verstaan,
- vanuit uw bijzijn te bespeuren.
IV
- Wij zaten, —en de wijde kronen
- van het geboomte voor ons uit
- stonden ontruimd van het geluid
- der vogelzwermen, die er wonen.
- Een enkel orgelend gefluit
- alleen verhief zich in den schoonen,
- kristallen avond, met zijn tonen
- als van een weekbespeelde luit.
-
- Wij zaten, —en het licht ging onder.
- Ver aan den hemel werd het wonder
- om ons voltrokken van den nacht.
- Het land, van donkerte overslopen,
- verstilde zich, en ongedacht
- gingen zijn diepten voor ons open.
V
- Ik wil in marmeren gedichten
- uw beeld in mij bestendigd zien,
- ik wil de liefde, die ik dien,
- in mij dit eenige outer stichten,
- ik wil voorgoed aan u verplichten
- èn wie gezegend zijn, èn wien
- dit heil ontbreekt, —en wie misschien
- zich weren mochten toch doen zwichten.
-
- Ik wil, —maar ach, ik wil uwe oogen,
- ik wil uw hoofd op mij gebogen,
- ik wil de weldaad van uw mond, —
- ik wil in uw vertroostende armen
- mijn afgehunkerd hart verwarmen, —
- alsof daarbuiten niets bestond.
VI
- Over het land van ons verlangen
- was de verheven hemel, strak
- en ongenaakbaar, als een dak
- van louter zonlicht uitgehangen.
- De middag, in het vijvervlak,
- lag als in roerloosheid gevangen.
- Daar was geen rimpel, die het lange
- bestendig zijn der stilte brak.
-
- Geen windje waaide er aan de lucht.
- Daar was geen enkel ver gerucht
- in 't wijde uur waar de hitte in trilde.
- Daar was alleen, vanuit het riet,
- een kleine vogel, die zijn lied
- al hooger en al hooger tilde.
VII
- Zooals in gothische tafreelen
- om de gestalte van de Maagd,
- die 't Heilig Kind in de armen draagt,
- het landschap tot in onderdeelen
- te zien is, met zijn onvervaagd
- verschiet, waar achter spitse abeelen
- de kim een glans schijnt te overspelen,
- waaruit de hemel zelf ons daagt, —
-
- zooals om de geheven handen
- des schenkers men, over de landen,
- als van het eeuwige doorpereld
- de lucht ziet, en het schoonverlichte
- gebied der stilste vergezichten, —
- zoo ligt mij rondom u de wereld.
VIII
- Toen uit de kronkelige kreken
- der kust de mensch te voorschijn kwam,
- en de eerste maal het ondernam,
- in 't onomvatbare af te steken,
- en toen, —het land uit zicht geweken, —
- hij vóór zich met zijn hooge vlam
- den avond als achter een dam
- van dreigend water uit zag breken,
-
- toen, in zijn vaartuig dat, omgeven
- van 't eeuwige, de golven kliefde,
- vond hij zich hulpeloos en klein.
- Zoo, uit de kreken van het leven,
- mocht het ook ons te moede zijn
- voor de eindeloosheid van de liefde.
IX
- Doorzichtig stond over de duinen
- de zomeravond op het land
- en hield, binnen zijn wijd verband
- van stilte, donkere olmekruinen
- en populieren, aan den rand
- van diep gelegen kweekerstuinen,
- als één geheel tegen het bruine,
- doorschemerde verschiet in stand.
-
- De vaart lag in het late licht
- te blinken, en een oud man boomde
- met langen stap zijn vaartuig voort.
- Daar kwam geen kreet, geen klank, geen woord...
- Daar was, in 't uur dat zich verdroomde,
- een glans alleen om uw gezicht.
X
- Hoe dikwijls, in vertwijfelde uren,
- had zich ons inzicht niet verward,
- hoe menigmaal had niet ons hart
- de eigene driften te verduren?
- Hebben wij niet ons heil getart,
- hebben wij niet te zeer het pure
- geluk miskend, en bij het turen
- in 't onvervulbare volhard?
-
- Hebben wij niet het schoone leven
- al te onbedachtzaam prijs gegeven,
- hebben wij niet den dag verzaakt?
- Maar hebben wij niet ongeweten
- iets van het eeuwige aangeraakt,
- iets van het maatlooze gemeten?
Verschenen in Verschijningen, 1924.
- --oOo-- -