Schaduwboomen
(Erythrina lithosperma)
- Hoog over de stille tuinen
- staan zij met hun wijde takken,
- met hunne uitgebreide kruinen,
- met hun breede lovervlakken,—
- staan zij met hun teeder blad,
- hoeders van den schaduwschat.
-
- Aan het struikgewas ontstegen,
- dat zij voor de zon beschermen
- en waarover zij, genegen,
- met hun koelte zich ontfermen,—
- dat zij schijnen in hun schoot
- te verbergen voor den dood,—
-
- overwelven zij de groote
- groenbevloerde schemeringen
- die, van weinig licht doorschoten,
- hun onroerig zijn omringen,—
- de verholene eenzaamheid,
- waar de roode bes gedijt.
-
- Soms, in wind- en regenvlagen,
- wordt hun donker hoofd bewogen,
- wordt de samenhang dier hooge
- statigheid uiteen geslagen,—
- komt de nevel, bleek en koud,
- aangedreven door hun hout.
-
- Maar dan staan zij weer, en maken
- zich een stilte om het gestoelte
- van de wortels, en bewaken
- zij de kostbaarheid van koelte,
- die hun lang geduld zich won.
-
- Alom elders heerscht de zon.
- --oOo-- -