Morgentocht
- Wij kwamen, uit den hoogen rand
- van 't heuvelland,
- het eenig boschpad afgestegen,
- langs waar een dalstroom voor ons oog
- zijn bochten boog.
- De morgenrust was allerwegen.
-
- De lage zon, een flauwe lamp,
- was nog den damp
- nabij den einder niet ontkomen,
- waarin het schuwe nachtuur vlucht
- onder de lucht,
- die heller opklaart om de boomen.
-
- Onduidelijk, tegen de kim,
- zag men den schim
- der verderaf gelegen wouden,
- alsof een moedelooze schaar
- gestalten daar
- in afwachting werd saamgehouden.
-
- Geen blad bewoog zich in het rond.
- Over ons stond
- de hemel, —in zijn kalme strakte,
- wijd en verlaten van geluid.
- En voor ons uit,
- aan onze voeten, lag de vlakte.
-
- Toen, in de gave stilte, ontschoot
- aan 't morgenrood
- een vuurstraal, die de wolken kliefde,
- de lucht doorstak zoover men zag.
- Daar was de dag,
- daar was het licht, —daar was uw liefde.
Uit de bundel Verschijningen, 1924.
- --oOo-- -