De meeuwen
- De meeuwen vechten, vleugels hol,
- en hangen aan de den wind. Zij vallen
- in ‘t bouwland neer en, neergevallen,
- maken ze ‘t langs de voren vol
-
- Zij namen overland de wijk
- en zochten langs de brede stromen
- hun toevlucht, om op kracht te komen
- achter den hoogen winterdijk.
-
- De snavels, onder pen en veer,
- herstellen zij geleden schade.
- Maar ‘t nader klinken van de spade
- des akkermans verjaagd
-
- Zij vliegen op, de vleugels ree
- zich klauwende aan de lucht te klampen
- Een ogenblik ziet men ze kampen.
- Dan voert de felle wind ze mee.
Uit: Tochten, W. Versluys, Amsterdam 1923.
- --oOo-- -