Het Indische Land
- Van zon verzadigd en van geuren zwaar,
- ligt in de zeeën van den evenaar
- het Land van Indië, als een rijk van rust
- en ademlooze stilte. Achter de kust, -
- boven het eenzaam, witgewasschen strand
- al hooger en al hooger, —klimt het land
- vanaf het voorgelegen boschbegin
- de blauwe donkerte van 't hoogland in,
- en stijgt in ronde ruggen tot de lijn
- van schemer, waar de laagste wolken zijn,
- en het nog even zichtbare zich hult
- in 't vormenlooze. Als in een diep geduld
- van roerloosheid gedompeld, leeg en wijd
- in zijne ontzaglijke verlatenheid,
- ligt het onder den dag. —Dit zoo te zien
- in al zijne ongereptheid, is misschien
- van 't opperste iets te zien, dat er bestaat.
- Want van geen land en van geen aanblik gaat
- een zoo verwonderlijke wijding uit
- als hier van deze wereld. Geen geluid
- ontroert ons, zooals deze stilte doet.
- Het is, alsof er iets in ons gemoed
- zich opent, en alsof het iets ontvangt
- waarom wij, lijkt het ons, hadden verlangd
- zonder dat wij het wisten, —of een schijn
- van het voor altijd onverklaarde zijn
- over ons valt, —alsof zich voor ons oog
- iets van het nooit ontslotene openboog.
-
- En dat is inderdaad ook zoo. Want wat
- ons zoo binnen zijn toover houdt gevat,
- dat is het Oosten, en het Oosten is
- van ouds het land wel van geheimenis,
- maar ook van klaarheid door een enkel woord,
- door een enkel gebaar. Wat ons bekoort
- hier, is wat ieder onzer ondervindt
- als hij terugkeert, waar hij eenmaal kind
- was, en het leven een bestendig feest.
- In 't Oosten is de menschheid kind geweest,
- en nu zij groot is en bewuster, komt
- zij tot dit land terug, eerbiedig, om 't
- nog eens te zien, en tot haar aangezicht
- te heffen dat, wat het diepste in haar ligt.
-
- Zullen wij deze wereld binnengaan?
- Kom, van het oeverzand brengt ons een pad
- het strandbosch in, en door een diepe laan
- komen wij verder in het kustland, dat
- zich breeder voor ons opent. Overal
- tusschen de boomen door ontwaren wij
- het veld, dat blakende is onder den val
- van 't zonlicht. Op den achtergrond, nabij
- den voet der eerste heuvelen, begint
- het donkerder te worden, en dan wint
- al meer en meer de schaduw 't van de zon.
- Maar daarvóór, waar geen stijging nog begon,
- is het ééne onafzienbaarheid van rijst.
- Hier en daar in die kalme vlakte wijst
- een schaduwboschje ons aan, waar menschen wonen.
- Want zooals in den wijden oceaan
- Indië's eilanden stil met de kronen
- van hun geboomte over het water staan,
- zoo liggen hier, als schepen op een ree
- ten anker, de gehuchten wijd en zijd
- in deze onmetelijke korenzee
- tot aan den versten horizon verspreid
- over de gansche ruimte van het land,
- waarop meedoogenloos de middag brandt.
- Hoog in zijn uitkijkpost gezeten, waakt
- een kleine jongen, dat de vogels niet
- zich in het veld te goed doen. In 't verschiet
- is er iets blauwigs, dat den indruk maakt
- van lichten mist. Nabij ons, waar een bron
- te voorschijn komt, glinsteren in de zon
- de ruggen van karbouwen, die zich baden.
- De horens in den nek, heeft elk, den snuit
- nog even 't rimpelige water uit,
- en dan, als met een vacht van slijk beladen,
- rijzen zij op, en klimmen op den kant.
- Een groote vogel, door hun loggen kop
- verjaagd, stijgt eenzaam van den oever op,
- maar anders is het leeg en stil in 't land,
- en hangt de loomheid van den middag zwaar
- om elke ritseling, om elk gebaar.
-
- Tusschen de bergen, waar de nauwe dalen
- dieper de schemerige verte in gaan,
- waar losse wolken met haar schaduwbaan
- hoog boven rustige ravijnen dwalen,
- waar 't aan de hellingen begroeider wordt
- naarmate de bebouwing er vermindert,
- waar zich het vrije water ongehinderd
- over de rondgeslepen steenen stort, -
- daar legeren de rijstvelden zich, schoon
- om aan te zien, als breed gebouwde treden
- in 't licht, of zij bestemd zijn voor de schreden
- van een ten hemel keerend godenzoon.
- Gedienstig valt, over den lagen rand
- van elken kronkeligen dijk, het water
- in 't volgend vak, en vult met zijn geklater
- en met zijn glinstering het gansche land.
- Hoog achter de akkers en tegen de kammen
- der heuvelen ziet men de pinangstammen
- als lichtgekleurde zuilenrijen staan
- voor een donkerder kampongrand, en aan
- de glooiingen alom de rustig losse
- gebogenheid der bamboevederbossen.
- Soms, in de verte, over een heilig graf,
- druilt een waringgin naar den bodem af,
- alsof een bouwval daar, —en die in 't rond
- begroeid zou zijn, —tegen den hemel stond.
- Sommige velden liggen woest en naakt,
- bij andere wordt een begin gemaakt
- met nieuwen uitplant, en wat verder ziet
- men het gewas, dat uit den bodem schiet
- in zijn volmaakte zuiverheid van groen.
- Telkens, tusschen de grauwe dijken, doen
- de wateroppervlakten 't hevig licht
- weerkaatsen, en het gansche vergezicht
- van 't golvend akkerlandschap wordt daarmee
- doortinteld, zooals het kan zijn op zee.
- Dan langs een enkel voetpad komt een rij
- van dragend volk 't heuvelland in geklommen.
- De lasten wiegelen, de ruggen krommen
- zich in de zon, en dan verdwijnen zij.
- In het gebergte, langzaam, steekt een stoet
- van wolken een voor een den afgrond over,
- en hier en daar zich hechtend aan het loover
- drijven zij 't onbekende tegemoet.
- Tot bij het binnengaan van 't hooger woud
- wij aan de wereld van den mensch ontstijgen.
- Hier is het schaarsche licht, hier is het zwijgen,
- dat eeuwig hangt onder dit roerloos hout.
-
- Zoover men ziet, door de rijzige boomen,
- is het ééne uiterste verlatenheid.
- Ieder voor zich, zijn takken uitgespreid,
- schijnt de volkomen stilte te doordroomen.
- Ieder, vanaf den bodem van het bosch,
- streeft regelrecht omhoog, het zonlicht tegen,
- en zonder ritseling, zonder bewegen,
- voltooien zij zich in den bladerdos.
- Maar van den wortel tot de wijde kroon
- is elk een wereld ook van eigen leven:
- in 't vochtig afzijgende licht geheven
- spreiden zij als een wildernis ten toon
- van woekerende planten, van lianen,
- die zich ontkronkelen van stam tot stam,
- en van mossen, die als een grijze vlam
- zijn, en van zwammen als gekleurde vanen.
- Vanaf de takken druipen lange baarden
- van donker groen tot bij den bodem af,
- en aan de stamzuilen staan, licht en straf,
- de nestplantbekers als een krans van zwaarden.
- Soms, in de verte, lijkt het of een oud
- gebouw ineengestort ligt onder bergen
- geblaarte, en dan weer is het, of zich dwergen
- en sprookgestalten opdoen in het woud.
- Maar naar wij verder gaan en hooger klimmen
- wordt het allengs ook lichter om ons heen.
- De zwoele zoelte van het bosch verdween,
- en kille nevelen, als witte schimmen,
- drijven door het ineengeschrompeld hout.
- Opeens, nabij den bodem, wordt het koud,
- en dan opeens weer om ons heen begint
- iets te bewegen, en een dorre wind
- vanuit de hoogte vaart ons tegemoet.
- En iets, wat ons de stem begeven doet,
- de stekelige lucht van zwavel, drijft
- ons tegen van den kraterrand, en blijft
- ons bij, ook als de windvlaag is geluwd.
- Hier is de streek, die al wat ademt schuwt,
- der eeuwige verlorenheid, en van
- de vrees, die men niet van zich weren kan,
- en die zich sterker toont dan onze wil.
- Maar hier is ook de wereld van het stil
- in zich gekeerd zijn, om te zien hoe goed
- en eigen ons het leven is, en hoe 't
- ons innig in zich houdt, —maar ook hoe groot
- en rustig de gestalte is van den dood,
- en hoe verheven de eenzaamheid, die wacht...
-
- Inmiddels werd het avond, wordt het nacht.
-
- En over de als verzuiverde natuur
- is de betoovering gezonken van het uur,
- waarin de dag in donkerte ondergaat,
- en alles vreemder ons voor oogen staat
- dan anders. Want zooals men in den geest
- iets wel eens niet hervindt, zoo 't is geweest, -
- het is hetzelfde wel, maar ook weer niet, -
- zoo is 't hier in de schemering, als ziet
- men alles om zich in een ander licht.
- En dan, al spoedig, staat de nacht gesticht
- over de wereld als een wijd gebouw,
- een koele dom. Zie om u heen, aanschouw
- den hemel en de verre glinstering
- van maanlicht op gebladerte. In den kring
- van 't zichtbare is nu alles, alles rust.
- Zooals, onmetelijk, vanaf de kust
- de zee kan liggen, van geen wind bewogen,
- zoo ligt het land, roerloos, onder den hoogen
- diepfonkelenden koepel van de lucht.
- En zoo, aan alles wat verstoort ontvlucht,
- is ook het Oosten, klaar en wijd en stil.
- Wie dit verstaan, wie dit ervaren wil,
- heeft enkel in te gaan tot de natuur.
- Hier ligt zij, in dit onverganklijk uur,
- in al haar weergalooze lieflijkheid.
- Alles heeft zich verinnigd. Wijd en zijd
- is het, alsof er iets ten hemel hijgt.
- Vanuit de laag omgroeide velden stijgt
- een lichte nevel op. Onder hun kronen
- ziet men bewegingloos de palmen staan
- om de gedeelten heen, waar menschen wonen.
- De stilte, in alle verten, schijnt te tronen.
- Over de wereld, eenzaam, vaart de maan.
Uit de bundel Verschijningen, 1924.
- --oOo-- -