Holland en de Zee
- Wanneer ge ontwaakt, mijn Land, uit de beklemming
- Van uw vernedering, uw slavernij,
- Als gij bevrijd u voelt uit de overstemming
- Van rede en recht door botte dwinglandij,
- Als gij de bulderstem niet meer zult hooren,
- Die tevergeefs zich u wou doen verstaan,
- Als dreigement en vleitaal aan uwe ooren
- Gelijk de wind zal zijn voorbij gegaan,
- Wanneer ge ontwaakt, mijn Land, en de bezinning
- Op eigen drang en daad hervinden zult,
- Niet slechts van hunkring meer naar de overwinning,
- Van wat u 't onontbeerlijkste is, vervuld,
- Wat zal uw luistrende aandacht dan ontwaren?
- De hartklop van uw werven is verstomd.
- Uw havens liggen woest en onbevaren.
- Geen kreet, geen klank daaruit, die tot u komt.
- De kaden zijn vernield, de ranke kranen
- Liggen geknakt, de loodsen leeggestroopt.
- Geen vaartuig komt daarheen zich doortocht banen.
- Tot de dukdalven zelf heeft men gesloopt.
- Geen davering over uw stalen bruggen:
- Zij liggen afgestort in de rivier.
- Geen sleepbedrijf, stroom-af, stroom op, in stugge
- Volharding, geen verkeer meer, geen vertier.
- 't Ligt alles in stilzwijgendheid verzonken.
- Geen vee, dat loeit over den waterkant:
- Het is geroofd, de weide ligt verdronken.
- Waar klinkt zij nog, de stem van Nederland?
- Waar is dat luid getuigenis gebleven
- Van wat gij eenmaal waart, van zooveel kracht
- Tot eigen daad, van zooveel lust, te leven?
-
- [...]
Uit de bundel Drie bevrijdingsgedichten, 1945; eerste strofe van het gedicht.
- --oOo-- -