De heirweg
- Over den hoogen heirweg drijft en draait
- de menschenmenigte. In dichte drommen
- ziet men geduldig zich de ruggen krommen
- naar ‘t warlens stof, waar ieder werkt en slaaft.
-
- Den trotschen wagen des triomfs versieren
- vlaggen van haat en wimpels rood als bloed:
- het felle zonlicht zinkt met rossen gloed
- over de ronding van gespannen spieren.
-
- Maar weinigen begaan de stille paden
- waar, langs de glooiing van den weg,
- ‘t woud schemert en waar, hoog achter de heg.
- verdere schemnmer valt te raden.
-
- waar schaduwen in zachter schaduw glijden,
- ‘t argeloos licht gevangen ligt in ‘t groen,
- waar zij, die zelden wat zij doen,
- de wegen gaan, die neregens heen geleiden
-
- Nergens dan naar besloten boschpartijen,
- naar golvend gras, glanzig in zonnengoud,
- en, door de koele diepten van het woud,
- naar ‘t uitzicht over wijde landerijen.
Uit: Tochten, W. Versluys, Amsterdam 1923.
- --oOo-- -