De Dichter der Beatrijs
- Bij dichten vondt ge weinig baat.
- Men gaf u, zegt ge, vaak den raad,
- uw dagen beter te besteden.
- Het schonk u niet dan schraal gewin:
- al gaf men uit, het bracht niet in,—
- en zoo, als toen, is het nog heden.
-
- Maar in uw hart,—al vond zijn lied
- de opmerkzaamheid der menschen niet,—
- liet zich de dichter niet vermoorden,
- en onverschuldigd, ongevraagd,
- tot voor de voeten van de Maagd,
- droegt ge de wijgift uwer woorden.
-
- Ge zongt. En in uw gave taal
- werd het eenvoudige verhaal
- tot een vertroosting veler smarten.
- Ge zongt, zooals een dichter doet,
- uit de stilte van uw gemoed,
- uit de bewogenheid uws harten.
-
- Uw beeld verliest zich in 't verschiet,
- uw naam, uw woonstee kent men niet,
- uw leven niet in deze landen.
- Van uw bestaan bleef ons alleen,
- door aller tijden diepte heen,
- 't zuiver mirakel uwer handen.
-
- Want omderwille van de non,
- die liefde niet verloochnen kon,
- treedt in uw woord,—opdat zij moge
- van zondes boetschuld zijn bevrijd,—
- de schoonheid zelve in dienstbaarheid...
-
- Daar is het wonder mee voltogen.
Uit de bundel Verschijningen, 1924.
Lees ook het 12e- of 13e-eeuwse gedicht
Beatrijs:
- Van dichten comt mi cleine bate.
- Die liede raden mi dat ict late
- Ende minen sin niet en vertare.
- Maer om die doghet van hare,
- Die moeder ende maghet es bleven,
- Hebbic een scone mieracle op heven,
- Die God sonder twivel toghede
- Marien teren, diene soghede.
- Ic wille beghinnen van ere nonnen
- Een ghedichte. God moet mi onnen
- Dat ic die poente moet wel geraken
- Ende een goet ende daer af maken
- Volcomelijc na der waerheide
- Als mi broeder Ghijsbrecht seide,
- Een begheven Willemijn.
- Hi vant in die boeke sijn.
- Hi was een out ghedaghet man.
- --oOo-- -