De Beek
- Van de hoog omgroeide toppen
- naar de vlakte, —als uit een kreek
- van geheimenis en duister
- en verborgen koelte, —bleek
- en onzeker in het krieken
- van den morgen, vloeit de beek.
-
- Rusteloos, —alsof zij, telkens
- weifelend, zich vergewist,
- dat zij niet al van den aanvang
- in het volgen zich vergist
- van den haar bestemden voortgang, —
- doolt zij in den morgenmist.
-
- En zij waagt zich in het nieuwe
- blanke wonder van den dag
- dat zij uit het woud al vóór zich
- als een vreemde toekomst zag, —
- dat zij nu als wat bereikt is
- eindelijk ervaren mag.
-
- De verlatene ochtenduren
- heel den heeten middag door
- tot den naderenden intocht
- van de schemering, —tot voor
- de bedreiging van den avond, —
- windt zij glinsterend haar spoor.
-
- En terwijl zij in de vlakte
- zich ontkronkelt, bocht na bocht,
- is het, of zij iets in elke
- nieuw ontdekte verte zocht, —
- iets wat zij in haar verwachting
- omdroeg, maar niet vinden mocht. —
-
- Zou het in de schoone diepte
- van het lager landschap zijn, —
- in de heimelijke stilte
- van een schaduwvol ravijn,
- of in de verheven, kalme
- verten van den avondschijn? —
-
- Altijd, —altijd vloeit zij verder...
- Tot ze, aan de begrenzing schier
- van het daglicht, voor de ruimte
- van een open dal komt. —Hier,
- meent zij zeker, moet het wezen...
-
- En zij valt in de rivier.
Uit de bundel Verschijningen, 1924.
- --oOo-- -