De Bedegang
Aan Albert Vogel.
- Eens, in het diepste van den tijd
- en van het Oosten, naakt
- en weerloos, is in eenzaamheid
- de menschenziel ontwaakt,
- en tot haar troost en toevlucht had
- zij anders niet dan 't licht,
- dat uitbrak aan de lucht, en dat
- haar zonk om het gezicht.
-
- Zij vond ervan in 't water, waar
- dat welt en woelt en vloeit,
- zij vond het, waar de rozelaar
- met bleeke rozen bloeit,
- en aan de bodemlooze lucht—
- zoover men 't zwerven kan
- zien voortgaan van een vogelvlucht—
- vond zij en dronk ervan.
-
- Maar toen het eerste nachtbegin
- over de wereld kwam,
- en al de wijde verten in
- zijn wachtende armen nam,
- toen was 't, alsof het leven zelf
- haar met het licht ontviel,
- toen was 't, als sloot zich doods gewelf
- over de menschenziel.
-
- Zij staarde over het donker land
- naar de onbekende kust,
- vanwaar een vreemde schemer brandt
- en broeit in de avondrust,
- en die als een ontwaard verschiet
- van onbereikbaarheid
- al 't aardsche, dat men sterven ziet,
- vertroostend overspreidt.
-
- Zij staarde, en langzaam welde, diep
- uit het gemoed, de zucht
- die haar den gang te volgen riep
- van 't wijd licht aan de lucht,
- en dan—het laatste van den dag,
- nog even purperig,
- doorlevend—naar het Westen zag
- zij, en bewoog zij zich.
-
- * * *
-
- De kalme vlakten door
- der peillooze nachturen
- tot aan den dageraad—
- den oever tegemoet
- van 't nieuwe leven, dat
- zijn wapperende vuren
- wijd en zijd opengaan
- met elken morgen doet—
-
- de troosteloosheid door
- van barre zandwoestijnen,
- die met zijn blakering
- de middag overbreidt,
- de leege verten, die
- onoverkoombaar schijnen—
- heel die verlatenis,
- heel die verlorenheid—
-
- en de rotslanden door
- van avondschemeringen,
- als het verzinkend licht
- tegen den hemel gloeit,
- als met zijn schaduwvlucht
- in telkens wijder kringen
- de vogel van den nacht
- over de wereld roeit—
-
- overal, overal
- waar van het ongekende,
- het ondoorzochte nog,
- zich den eeuwigen wensch
- te weten iets onttrok—
- waar zijn weedom zich wenden,
- zijn nood zich keeren mocht—
- overal toog de mensch.
-
- Bevangen van een dorst
- dien geen lafenis leschte,
- als op een bedegang
- om waarheid en om licht,
- als een geketende aan
- de kennis, naar het Westen
- trok hij, den avondschijn
- over zijn aangezicht.
-
- En tegen het verschiet
- der rood beloopen wolken,
- der afgronden in vuur,
- der rotswanden van nacht,
- tegen den wijden rouw
- der vale schemerkolken
- rees hij, een zuil gelijk,
- in zelf ontgonnen kracht.
-
- Al verder, op den weg
- dien 't wijkend licht hem voerde,
- al dieper in het woud
- des levens drong hij voort.
- Geene eenzaamheden, die
- zijn voetstap niet beroerde,
- geen heimelijkheid, die
- hem niet heeft toebehoord.
-
- De uiterste zoomen om
- van 't mogelijke weten
- bewoog en repte zich
- onbetoombaar zijn geest.
- Van onvoldaanheid in
- onvoldaanheid, bezeten
- van één drift, is hij niet
- dan zwervend gast geweest...
-
- Tot voor het oud geluk
- van lang verlaten stranden
- de menschheid op haar gang
- rondom de wereld stond—
- totdat ze in 't droomend licht
- der eerste morgenlanden
- den aanvang van haar tocht
- in zijn einde hervond.
-
- En zoo ook bleek, hoe al
- haar kennen, al haar denken
- in den gesloten kring
- van 't eigen zijn verliep,
- hoedat zij, wat haar ook
- de waarneming mocht schenken,
- zich slechts een beeltenis
- van 't onvolstrekte schiep,
-
- dat waar ook haar de gang
- mocht voeren der gedachte,
- 't betrekkelijke met
- zijn raadsel haar omvat,
- dat waar van 't wezen iets
- zij te doorgronden trachtte,
- zij enkel samenhang
- van schijn gemeten had.
-
- Zoo stond zij, aan het eind
- der reis, met ledige oogen...
- Maar om zich, in dit uur
- van diepsten inkeer, zag
- zij hoe de wereld met
- een glans was overtogen,
- die als uit eigen aard
- om elk der dingen lag.
-
- Somtijds al op haar tocht
- had zij dit ondervonden,
- dan hier dan daar, al meer
- naar dat zij verder ging,
- en nu, bij 't ondergaan
- van deze stilste stonde,
- was 't of die wijding om
- al wat zij aanzag hing.
-
- En zij besefte 't als
- een wonder, haar verschenen
- in de schamelheid van
- 't haar toegewezen lot,
- en zij wist, bij het zien
- der dingen om zich henen,
- dat het de schoonheid was,
- de zichtbaarheid van God.
-
- Nog eenmaal richtte zij
- het aangezicht naar 't Westen,
- waar luistervol de zon
- achter de wereld zonk,
- en 't was haar, aan den rand
- van 't licht, of haar ten leste
- bij 't einde van haar tocht
- de waarheid tegenblonk:
-
- de waarheid, dat alleen
- wie deel heeft aan dit leven
- en 't onvoorwaardelijk
- aanvaardt, wat schoon is vindt,
- en dat ons, waar wij gaan,
- de schoonheid is gegeven,
- opdat aan 't onvolstrekte
- iets zinlijks zij ontheven,
- waar 't eindige bij eindt
- en 't eeuwige begint.
-
- Gelukkig wie, voor zich,
- dit eenig weten wint.
Uit de bundel Verschijningen, 1924.
- --oOo-- -