Afscheid
- Nog eenmaal wil ik gaan door open weiden
- tot waar de zee van 't onbewogen licht
- den val ontvangt in wiegelend evenwicht
- en vlied en vloeit naar 't golven der getijden
-
- Nog eenmaal waar de landelijke wegen
- elkander kruisen in het lage veld,
- de holle wilg over het water helt
- en ruine pluimen in den wind bewegen
-
- En waar het stadje rijst boven de wallen,
- beveiligd binnen die vertrouwde wacht,
- en waaromheen de breede biezen, zacht
- en zijig, op het gladde water vallen.
-
- Dan zal het mij genoeg zijn om te weten
- dat wat z lief werd nooit in ons verdwijnt.
- En al de dagen zal ik welkom heeten,
- waarin mij deze wereld weer verschijnt
Uit: Tochten, W. Versluys, Amsterdam 1923.
- --oOo-- -