1813
Naar aanleiding der Nederlandsche Onafhankelijkheidsfeesten van 1913.
- Als in haar liefst geluk
- een vrouw zich vindt bedrogen,
- als zij wat eens haar trots,
- haar weelde was, verloor,—
- dan gaat zij, rouw in 't hart
- en droefenis in de oogen,
- den leeggeroofden hof
- van haar verwachting door.
-
- Zij vindt den bloei vernield,
- de halmen neergeslagen,
- de stengels afgeknakt,
- gebroken door den wind,—
- zij vindt den ondergang
- van wat ze in 't hart gedragen,
- van al wat zij geloofd,
- begeerd heeft en bemind.
-
- Dan, gaandeweg, herwint
- het leven haar gedachten:
- een nieuw gevonden bocht
- gaat open van haar pad,
- en minder vaak bezoekt
- in minder bange nachten
- het beeld haar van den man,
- dien zij heeft liefgehad.
-
- De heugenis verbleekt
- van wat hij had geschonken,
- van al dat in hem eens
- haar leven had getooid,—
- maar dat hij sprakeloos
- haar aan zich hield geklonken
- en koning was der ziel,—
- neen, dat vergeet zij nooit.
-
- Zoo, als na vreemd geweld
- de vrijheid is herwonnen,
- als van een nieuwen dag
- de morgen openstaat,
- en als wat eens in vreugd,
- in geestdrift werd begonnen,
- voor altijd in berouw
- en jammer ondergaat.
-
- dan wendt zich wel de blik
- tot nieuwe vergezichten,
- verlost van wat gehaat,
- gevloekt was en gevreesd,
- maar van den man, die hier
- zijn heerschappij kon stichten,
- blijft altijd het besef:
- wat is hij groot geweest.
-
- * * *
-
- Daar breekt een nieuwe voorjaarsdag
- aan Hollands hemel uit.
- Daar is verwachting in de lucht
- en ongewoon geluid.
- Daar is beroering in de stad,
- gefluister in de straten...
- En buiten ligt der weiden zee
- in nevelen,—verlaten.
-
- Daar is bewogenheid in 't oog
- en onrust in het hart.
- Daar is de wreede zekerheid
- van nieuwe scheidingssmart.
- Daar hoort men in de straten al
- 't getrommel voor de troepen,
- 't getrappel van de paarden slaan:
- de Keizer heeft geroepen.
-
- De Keizer viert nog eens het feest
- van zijn geweldigheid.
- Hij brengt zijn legers op de been,
- nu voor den laatsten strijd.
- Hij wil nog eens de volheid van
- zijn alvermogen toonen,—
- en ieder land, geduldig, zendt
- de besten zijner zonen.
-
- Voorop, met zijn versierden stok
- komt de tamboer-majoor,
- en al de jongens van de school,
- in zwermen, gaan ervoor.
- En bij de brug, en op het plein
- stroomen de menschen samen.
- En overal staan in de stad
- de meisjes aan de ramen.
-
- De muzikanten doen hun best
- en blazen dat het klinkt,
- en stappen door de voorjaarszon,
- die in het koper blinkt.
- En rustig in den morgen stijgt
- de stem der klarinetten,
- maar hooger klimt en lustiger
- 't geschetter der trompetten.
-
- Dan komt de kolonel te paard
- en dan, met trotsch gebaar
- gedragen, komt het vaandel met
- den gouden adelaar,
- en met de rafels aan den rand,
- en met de kogelgaten...
- En dan, in langen, stillen drom,
- dan komen de soldaten.
-
- Zij trekken zwijgend door de stad,
- en zwijgend gaan zij voort,
- de welbekende huizen langs
- tot aan de Zuiderpoort.
- En achter hen wordt in de stad
- gefluisterd en gemompeld...
- Daar buiten ligt der weiden zee
- in nevelen gedompeld.
-
- Zij trekken verder door de poort,
- zij gaan over de brug,
- en langzaam keert men in de stad
- weer tot zijn werk terug.
- Men blijft nog talmen aan de deur,
- men praat nog wat in groepen.
- Dan gaan de moeders stil in huis.—
- De Keizer heeft geroepen.
-
- * * *
-
- Gewapend, in het wijde veld,
- staan beide legers opgesteld:
- de spitse bajonetten wit
- en blinkend in het lang gelid,
- de pluimen wuivende, en terzij
- de lansen van de ruiterij.
- En op de heuvels de kanonnen,
- die reeds hun somber spel begonnen,—
- en nog wat verder staat bedaard
- de Keizer, met zijn staf, te paard.
- De Keizer, stil en klein en bleek,
- met groene jas, met zwarte steek,
- de Keizer op zijn witte ros,
- de stevels hoog, de teugels los,
- de Keizer, met zijn koud gelaat,
- ziet in den dag, die opengaat,
- zoover het oog kan reiken binnen
- den horizon, den slag beginnen.
- Hij ziet de glooiingen beklommen
- door telkens nieuwe legerdrommen,
- hij ziet de spannen paarden mennen,
- en rechts en links de ruiters rennen,
- en op den rug der kurassieren
- de lange paardestaarten zwieren,
- en eskadron op eskadron
- uitzwermen naar den horizon.
- Wat verder ziet hij in het veld
- de Garde rustig opgesteld,
- een zwijgende, onbewogen stoet,
- met de geweren bij den voet.
- De kansen van den oorlog en
- de doodsgevaren wachten hen,
- doch ongeschokt, onwrikbaar, trotsch
- en rustig staan zij, als een rots.
-
- En langzaam, langzaam, trekt de dag
- voorbij over den Volkenslag.
-
- En nog een dag, en nog een dag.
-
- En in den laten avond zag
- de Keizer, dat hem zijn verweer
- begaf: daar was geen leger meer.
- Daar was alleen het oproer, dat
- zich stortte over de Duitsche stad,
- daar was verslagenheid en zucht
- tot lijfsbehoud, en wilde vlucht
- in menigten, en mensch en dier
- gedreven in de nachtrivier.
- Daar haastten zich over de bruggen
- de ruiters met gekromde ruggen,
- daar was vernietiging en dood.
-
- En ver, tegen het avondrood,
- dreigend als hooge, zwarte horens,
- stonden de nachtelijke torens
- van Leipzig.—En de derde dag
- sloot langzaam op den Volkenslag.
-
- * * *
-
- Daar wordt een nieuwe morgen licht
- aan Hollands wijden hemel.
- Daar is beroering in de stad
- en ongewoon gewemel.
- Daar staan de menschen telkens weer
- bijeengeschaard in groepen:
- daar heeft een stem in ieders hart,
- een nieuwe stem, geroepen.
-
- Een nieuwe stem,—doch welbekend
- valt ze in aandachtige ooren:
- daar is, voor wie die taal verstaat
- van alles in te hooren.
- Ze wordt als een herinnering
- aan eens bezochte landen,—
- is als het branden van de zee
- op afgelegen stranden.
-
- De blijde morgen zingt erin
- en maakt de menschen wakker.
- De gansche ruimte schemert er
- van wouden, weide en akker.
- Als in een klaren waterplas
- verzonken en gewiegeld,
- ligt er de kalme ronding in
- der avondlucht gespiegeld.
-
- De zilte zeewind vaart erdoor,
- de wolken, volbeladen,
- ontginnen er de wijdheid in:
- van hare schaduwpaden.
- Het ritselen van 't koren en
- het ruischen van de biezen,
- het blinken van de vaarten, die
- zich naar de kim verliezen,
-
- 't geklapper van de zeilen en
- het schuimen, voor den steven,
- van water, waar het vaartuig in
- gedrukt wordt en gedreven,—
- de gansche rijpe rijkdom van
- de lange zomerdroomen,
- 't wordt alles in die nieuwe stem,
- dat jong geluid vernomen.
-
- Wat is het, dat zoo blijden lust
- in harten brengt en oogen,
- waarvan thans ieder stil gemoed
- bewoond is en bewogen,
- dat nieuwe tijden binnen luidt
- in 't overdonkerd heden?
- 't Is, in de taal van 't eigen land,
- de Stem van het Verleden.
-
- * * *
-
- Wat roert het aan den kant,
- wat rinkelt het in 't rond?
- Wat hamert het en klinkt,
- en dreunt het door den grond?
- Wat voert men balken op
- van gaaf en geurig hout?
- Daar wordt een wonderhuis,
- daar wordt een schip gebouwd.
-
- Het zaathout is gelegd,
- de spanten steken op,
- en voller wordt de vorm
- bij elken hamerklop.
- De steven krult omhoog,
- gebeeldhouwd aan 't begin,—
- en dan, voltrokken, glijdt
- de romp het water in.
-
- De masten, zwaar en vast,
- de stengen, recht en rank,
- gaan schuilen in de wolk
- van bollend zeilenblank.
- Dan gaat, de haven uit
- en ver buiten de ree,
- het schip zijn toekomst in,—
- zijn toekomst on de zee.
-
- Het rent de ruimten af,
- het drinkt zich, wijd en zijd,
- de ronde borsten vol
- aan verte en eindloosheid,
- het wentelt zich in schuim
- en worstelt, hoog en trotsch,
- de golven over en
- het ziedend zeegeklots.
-
- De watergoden en
- de zeemeerminnen, al
- wat in het water huist,
- aanschouwen het geval
- aandachtig,—en een kring
- van kleine Tritons, met
- hunne armen in de lucht,
- verzuimen hun trompet.
-
- Al verder om de Zuid,
- al verder om den Oost
- voltrekt het schip zijn tocht
- tot waar de morgen bloost
- door palmen, hooggepluimd,
- om bergen, rankbelijnd,—
- tot waar de vreemde droom
- van Java's weelde kwijnt.
-
- Dan mindert voor den boeg
- het ruischend schuimgeluid.
- De looder zwaait en buigt
- en zingt de diepten uit.
- Het anker valt en plonst
- en hecht zich in het zand...
- En de oude wimpel vloeit
- voor het Javaansche strand.
-
- * * *
-
- En hooger wordt de morgen licht
- aan Hollands wijden hemel,
- en luider wordt en krachtiger
- 't alom gewekt gewemel
- van leven, dat al verder wordt
- verbreid en voortgesponnen:
- daar is een schoone zekerheid,
- een nieuwe dag begonnen.
-
- De wouden langs, de weiden, nog
- in damp en dauw gelegen,
- de blinkende ongereptheid langs
- der volle waterwegen,
- en langs de stille donkerten
- der hooge schaduwlanen
- ligt overal de morgenzon
- gevat in morgentranen.
-
- Een wolkeschaduw gaat op reis
- en steekt de velden over.
- De jonge wind, onzeker nog,
- beweegt zich in het loover...
- Dan,—hoog over de huizen uit
- en over de landouwen,—
- valt langzaam van den torentrans
- 't Wilhelmus van Nassouwen.
Opgenomen in Verschijningen, 1924.
- --oOo-- -