Aan Rika
- Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart
- Gezeten in een sneltrein, die den trein,
- Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.
- De kennismaking kon niet korter zijn.
- En toch, zij duurde lang genoeg, om mij
- Het eindloos levenspad met fletsen lach
- Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij
- Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.
- Waarom ook hebt gij van dat blonde haar,
- Daar de engelen aan te kennen zijn? En dan,
- Waarom blauwe ogen, wonderdiep en klaar?
- Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan?
- En waarom mij dan zo voorbijgesneld,
- En niet als de weerlicht 't rijtuig opgerukt,
- En om mijn hals uw armen vastgekneld,
- En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?
- Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?
- Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
- Dan, onder hels geratel en gestamp,
- Met u verplet te worden door één trein?
Uit: Tijgerlelies, 1851-1853.
- --oOo-- -