Toen Knaap mij de laatste maal knipte
Immortelle LX
- Toen Knaap mij de laatste maal knipte
- Was hij aangedaan onder zijn werk.
- “Wat wordt u al grijs!” sprak hij somber,
- “Ik vrees, u studeert te sterk.”
-
- En Jongmans, toen hij mij gistren
- De maat voor een pantalon nam,
- Keek van mijn magerheid zóó op,
- Dat ik dacht, dat hem iets overkwam.
-
- Vater Muller ontzei me zijn tafel.
- Ze verliep anders heelemaal.
- Mijn holle kaak deed de lui denken.
- Het eten was bij hem zo schraal.
-
- En mijn oppasser heeft zelfs den ploert al
- Een goed woord voor een draagplaats verzocht,
- Als soms mijnheers begraafnis
- Te Leiden plaats hebben mocht.
-
- Maar wie er ook zien en beweenen,
- Dat ik zoo jong moet vergaan,
- Niet hare grijsblauwe oogjes,
- En die hebben 't mij juist gedaan.
Uit: Immortellen, 1850-1852.
- --oOo-- -