De bleeke jongeling
- 't Avondt. Aan de westertrans
- Zinkt, in goud gehuld en glans,
- Statig 't zonnelicht ter neer
- In den schoot van 't wieglend meer,
- Dat, als 't bloosde van verlangen,
- Om het in zijn bed te ontvangen,
- Inkarnaat voelt gloeien op zijn wangen.
-
- 't Avondt. Door het heidekruid
- Suist als aeoolsharpgeluid
- 't Windeken en kust zoo zacht
- Al de bloempjes goedennacht.
- 't Orgelend lied der vooglenkelen
- Zwijgt in 't loover der abeelen,
- 't Sjirpend krekeltjen in de struweelen.
-
- 't Avondt. Aan den zoom van't meer
- Zit een bleeke jongeling neer.
- 't Donker oog, naar 't west gericht,
- Volgt het scheidend zonnelicht.
- Tranen aan dat oog ontleken,
- Die van grievend lijden spreken,
- Lijden,—dat een jongelingshart doet breken.
-
- 't Nacht. En lange reeds verdronk
- Ook de laatste zonnevonk.
- Duisternis als van het graf
- Daalde op meer en velden af.
- Slechts het suizen van de blaren
- Hoort men en 't geruisch der baren.—
- Immer blijft de jongeling voor zich staren.
-
- 't Morgent. En een maagdlijk blond
- Verft in 't oost den horizont.
- 't Blond verzilvert. 't Zilver smelt
- Tot een goudzee. Trotsch ontsnelt
- 't Vlammend zonvuur aan de kimmen.
- Damp en nevelen verglimmen
- Straks tot purper bij zijn opwaartsklimmen.
-
- 't Morgent. Aan den zoom van 't meer
- Zit nog steeds de jongeling neer,
- 't Bleek gelaat naar 't west gericht.
- Maar zijn oog is blind voor 't licht,
- Voor de bloemen, weer ontloken.
- Opgehouden heeft te koken
- 's Jongelings bloed.- Zijn harte was gebroken.
1851.
- --oOo-- -