Aan Jacoba
- En uw groote bruine blikken
- Schuilt een wondre toovermacht.
- Nu eens troosten zij mij zacht;
- Dan weer doen ze mij verschrikken.
-
- Praat ik rustig met u over
- Iets van algemeen gewicht,
- Vriendlijk straalt dan uw gezicht,
- Als de maan door lenteloover.
-
- Maar nauw waag ik het te klikken
- Van mijn hard poƩtenlot,
- Of meedoogelooze spot
- Vuurspuwt uit uw donkre blikken.
-
- Is het dan zoo iets bespotlijks,
- Steeds te plassen in een zee
- Van het onverklaarbaarst wee?
- Is dat niet iets gruwzaam-godlijks?
-
- Hoe? Reeds fonklen weer uw blikken?
- Enge, och, genade! Ik zweer:
- 'k Spreek nooit van mijn lijden weer!
- Stom hoop ik mij dood te snikken.
Uit: Tijgerlelies, 1851-1853.
- --oOo-- -