Aan Hedwig
- Wat nu een kerkhof in mij is, was, lang geleên,
- Een vrolijk marktplein, waar een dartle zwerm dooreen
- Krioelde van de dolste droomen, somtijds wel
- Wat al te dol, en toch vermaaklijk en hun spel.
-
- Het was me een leventje daarbinnen! Zien verging
- Een mensch en hooren. Doch op eenmaal, daar verging
- Een aaklig steunen 't blij rumoer, en dan—een gil
- Als van een zinkende equipage. En toen was 't stil.
-
- Ach, wat geen enkle van mijn droomen had verwacht:
- Een zoete vrouwenhand had ze allen omgebracht.
- Zoet, valsch, arm handje! 't Vonnis, dat u trof, was zwaar:
- Gij hebt u moeten geven aan een weduwnaar.
-
- Gij glimlacht, Hedwig, maar ik zeg u, glimlach niet!
- Nog strenger oordeel zie ik voor u dagen in 't verschiet.
- De hand, die eens mijn dromen worgde, was wel wreed,
- Maar wreeder was nog, wat uw dartle hand misdeed.
-
- Op de piano dansend dorst uw hand begaan,
- Wat zelfs hyena's slechts bij nacht bestaan:
- Met onbarmhartig-smeltendteêr klaviergeluid
- Trok ze al mijn doode dromen weer hun graven uit.
-
- Afschuwlijk! Wat reeds halfvergaan was in den schoot
- Van mijn gemoed, dat woelde uw wreevle hand weer bloot
- Het is daarbinnen niet meer uit te houden! 'k Stik,
- Als ik maar even afdaal in mijn eigen ik!
-
- En toch, met wellust zou 'k me domplen in mij zelf,
- Kon 'k u slechts met mij sleuren in dat grafgewelf.
- Als 'k u daar, Hedwig, in de stikstof smoren zag,
- Hoe zou mijn ziel dan dreunen van mijn laatste lach!
Uit: Tijgerlelies, 1851-1853.
- --oOo-- -