Frits en Kee
- Zij heette Kee. Hij schreef zich Frits.
- Zij zag wat scheel. Hij liep mank.
- Een eng'lenpaar. Maar zij erg bits,
- En hij verschriklijk aan de drank.
-
- Zo woonden ze in een lekke schuit,
- Als twee marmotjes in hun hol.
- Geregeld schold zij hem de huid
- En dronk hij zich met bitter vol.
-
- De tijd vliegt snel, vooral wanneer
- De liefde 's levens zuur verzoet.
- Hun koopren bruiloft kwam dus, eer
- Het minnend paar het had vermoed.
-
- In zijn verrassing leegde hij
- Reeds 's morgens vroeg zijn tweede fles;
- En van weeromstuit raasde zij
- In ééns wel voor een week of zes.
-
- Doch ziet!—Terwijl de teedre bruid
- Haar eedle bruidegom en heer
- Nog streelde, zonk opeens de schuit
- Tot op de boom der stadsgracht neer.
-
- Het water stroomde 't roefje in
- En vulde in nog geen ommezien
- Frits' lege fles, zijn gemalin
- En ook hemzelve bovendien.
-
- Toen taald' hij naar geen drinken meer,
- En Keetje hield voorgoed de mond.
- Dat was voor de allereerste keer
- In hun gelukkig echtverbond.
Uit: Nagelaten Snikken.
- --oOo-- -