De dichter
- Ver boven 't stofgewriemel dezer aarde
- Verheft zich 's zangers dichtvuurgeest en zweeft
- In de aethersfeer, waar de Engel van de Toekomst,
- De Seraf van het Profetisme leeft.
- Op condoerwieken opgestegen vaart hij
- Dwars door der elementen wendling heen;
- Vertreedt de sporen van 't heelal en toovert
- Tot heden èn de Toekomst èn 't verleên.
- De millioenen bollen staren duizlend
- Met ingehouden adem naar zijn vaart,
- Den zonneglans verschiet tot niet en de afgrond
- vergeet zich zelf, waar hij zijn blik ontwaart.
- De donder smelt met 't lied der nachtegalen
- In één tot Englenharpenmelodie
- Bij 's Dichters heil'ge naadring en de Grondstof
- van 't Al lost op in Grondstofpoëzie.

- Ha! Zalig is uw lot, o vorst der Zangen!
- o Kind en vader tevens van het Lied!
- Als gij en aarde en hel en hemel de' aanblik
- Van de' allergrootsten graad van grootheid biedt!
April 1849.
- --oOo-- -