Vertaling door M. d'Hane-Scheltema
... nomenque erit indelebile nostrum,
quaque patet domitis Romana potentia terris,
ore legar populi, perque omnia saecula fama,
siquid habent veri vatum praesagia, vivam
... mijn naam zal onverwoestbaar zijn.
en tot in verre landen, waar Romeinse macht zal heersen,
zal men mij lezen en ik zal door alle eeuwen heen
—als dichterswoorden waarheid zingen—roemvol blijven leven.
Liber XV, vv. 876-879.
Toen Ovidius in de eerste jaren van onze jaartelling deze slotwoorden van zijn meesterwerk Metamorphosen dichtte, besefte hij niet half hoe blijvend zijn roem zou zijn. Vanaf de middeleeuwen is zijn werk een onuitputtelijke bron geweest voor kunstenaars en literatoren, in de zeventiende eeuw diende het zelfs als schilderbijbel.
Slechts een enkeling heeft het aangedurfd het omvangrijke gedicht in zijn geheel in het Nederlands om te zetten. Weliswaar is er een aantal prozavertalingen gemaakt, maar een goede poëtische weergave is na Vondels Herscheppinge niet meer verkrijgbaar geweest.
Marietje d'Hane-Scheltema, die in 1986 al de Martinus Nijhoff-prijs kreeg voor haar vertaling van de Satiren van Juvenalis, is er op bijzondere wijze in geslaagd een prachtige vertaling in jambische verzen te maken. In de 21e eeuw is deze niet meer weg te denken uit het klassieke landschap.
Gegevens
Recensies
Dr. Rudi van der Paardt voor Biblion: Tot de belangrijkste werken uit de Latijnse letterkunde rekent men algemeen de Metamorphosen van Ovidius (43 v. Chr. - 17 n. Chr.). Wat vorm betreft is dit werk, bestaande uit vijftien boeken of hoofdstukken, een epos, maar eigenlijk is het meer een verzameling van tientallen mythologische verhalen die het motief van de gedaanteverwisseling gemeen hebben. In vorige eeuwen werden de Metamorphosen dan ook gebruikt als plezierig leesbare inleiding in de Griekse mythologie. Net als in andere taalgebieden is Ovidius' hoofdwerk bij ons veel vertaald, meestal in fragmenten. De bekendste volledige vertaling is die van Joost van den Vondel (1671), in alexandrijnen. In haar in de mooie Baskerville-serie verschenen versie heeft M. d'Hane-Scheltema zich bediend van een zevenvoetige jambe, die het uitstekend blijkt te doen: haar even getrouwe als poëtische vertaling is absoluut de beste die bij ons ooit is gemaakt. Een heldere inleiding gaat aan de tekst vooraf; een handig register van namen is toegevoegd.
Kees Fens in de Volkskrant: Van de Metamorphosen is nu een complete Nederlandse vertaling verschenen. In versvorm. M. d'Hane-Scheltema, die eerder Satiren van Juvenalis vertaalde (met de Nijhoff prijs bekroond) heeft het werk volbracht. Op schitterende wijze.
Hans Oranje in Trouw: Wie weet wordt Ovidius mede door deze vertaling van mevrouw d'Hane bij ons een even stukgelezen dichter als hij dat in de Renaissance was. (¹)
Hans Warren in de Provinciale Zeeuwse Courant: Door het werk van mevrouw d'Hane-Scheltema hebben we er ineens een groot hedendaags dichter bij.
Kees Verheul in Vrij Nederland: Haar Metamorphosen zijn gesteld in authentiek twintigste-eeuws Nederlands, zo zuiver als je zelden tegenkomt. Bovendien is deze vertaling bij al haar ongedwongenheid uiterst consciëntieus.
Herschepping
Boek I: De schepping
- Ik wil gaan spreken van gedaanten die in nieuwe werden
- veranderd. Goden, leen mijn werk uw adem, want ook u
- deed mee aan die veranderingen. Leidt ononderbroken
- mijn lied vanaf het eerste werelduur tot aan mijn tijd.
- In den beginne was er chaos.
- Voordat er zee of land was en een lucht die alles toedekt,
- bestond er slechts één aanschijn der natuur in dit heelal.
- Men sprak van chaos, een primaire ongevormde massa,
- niet anders dan een bonk gewicht, een samenraapsel van
- slordige kiemen van niet goed gecombineerde dingen.
- Aarde en lucht, ze waren allemaal wel ergens,
- maar aarde niet begaanbaar, water niet bevaarbaar nog
- en lucht nog onverlicht; geen element had eigen omtrek
- en alles zat iets anders dwars, omdat steeds in één ding
- strijd tussen koud en warm gevoerd werd, tussen droog en vochtig,
- tussen wat hard en zacht was, tussen zwaar en zwaarteloos.
-
- Toen door de god orde was aangebracht
- in ordeloosheid en elk element aldus zijn plaats had,
- begon hij met de aarde: daarvan kneedde hij een soort
- van grote bol, goed zorgend dat die overal gelijk was.
- Toen deed hij zeeën stromen, opgestuwd door stormgeweld,
- en liet die spoelen rond de stranden van de continenten.
- Hij voegde bronnen, meren, uitgestrekt moerasland toe,
- stromen bergafwaarts, die hij tussen oeverbochten klemde
- en die, ver weg, deels door de aarde worden opgeslorpt,
- deels in de zee uitmonden en aldaar, verzwolgen in een
- veel wijder waterveld, oevers verwisselen voor strand.
- De zondvloed ontstaat met medewerking van Aeolus, de god der winden, en de zeegod Neptunus. (Boek I vv.)
- Zuiderstorm verheft zich op natte wiek, het bars gelaat bedekt met zwarte mist,
- de haard doordrenk met regen, 't grijze haar één stroom van vocht,
- sliertnevels langs het voorhoofd, borst en vleugels druppelzwaar.
- Zodra hij met één armbeweging brede wolkenlagen
- opeenperst, dreunt er donder, dichte buien storten neer.
- Neptunus zelf beukt met zijn drietand op het aardvlak, dat
- schokkend en trillend ruimer baan maakt voor de watermassa's.
- Rivieren kolken wijd en breed over het weerloos veld;
- bossen en graangewassen, mensen evengoed als dieren,
- huizen en hele heiligdommen worden meegesleept.
- Aarde en zee vertoonden nu geen enkel onderscheid:
- alles was zee en langs de zee lag nergens meer een kuststrook.
- Iemand vangt een vis in 't topje van een olm;
- een anker wortelt onverwacht in groene weidegrond vast;
- wijngaarden worden door gebogen kielen stukgevaren
- en daar waar slanke geitjes net nog kauwden op het gras,
- ligt nu een zeehond met zijn plompe lichaam uit te rusten.
- Verwonderd zien de Nereusnimfen onder water nu
- een stad met huizen, en een bos waarin dolfijnen zwemmen,
- hoog tussen de takken door, hun staart slaat tegen stammen aan.
- Daar, tussen schapen, zwemt een wolf; de zee kent nu ook tijgers
- en blonde leeuwen; 't everzwijn heeft nu geen voordeel van
- flitsende bijtkracht, herten hebben niets meer aan hun snelheid;
- zelf vogels speuren naar een plek waar nog te landen valt,
- storten dan ergens met vermoeide vleugels in de golven.
Boek III 138-250: Actaeon
- En zie: terwijl Diana zich daar baadt en laat bespoelen,
- dwaalt Cadmus' kleinzoon, nu de jachtarbeid is stilgelegd,
- zonder een doel te hebben door het onbekende bos
- en komt bij die gewijde plek. Zo leidde hem het toeval ...
- Nauw'lijks bevond hij zich binnen de druppende gewelven
- of al die nimfen—en ze waren naakt!—zagen de man
- en maakten luid misbaar, het hele bos werd opgeschrikt door
- hun plots gegil, terwijl zij met z'n allen snel een kring
- ter dekking rond Diana vormden. De godin was echter
- langer, zij stak met hoofd en schouders boven allen uit.
- Een kleur—zoals je ziet bij wolken die door kaatsend zonlicht
- beschenen worden, of als van Aurora's purpergloed—
- trok langs Diana's wangen, toen ze naakt door hem gezien werd.
- Hoewel zij dicht omstuwd werd door haar nimfenschare, hield
- zij zich toch afgewend van hem' maar keek over haar schouder
- wel naar hem om... Het liefst had zij haar boog ter hand gehad;
- nu greep ze wat ze wél had: water, smeet dat midden in zijn
- mannengezicht, plensde zijn haar nat met een douche van wraak
- en voegde woorden toe, die op een naderend onheil duidden:
- 'Nu mag je rondvertellen dat je mij geheel ontkleed
- gezien hebt, áls je nog vertellen kunt!'—Zij dreigt niet verder,
- maar siert zijn natte voorhoofd met een levensgroot gewei,
- geeft hem een hertenek en maakt de ooruiteinden puntig,
- vormt hoeven van zijn handen, slanke poten van wat eerst
- zijn armen waren en omkleedt hem met een vacht vol spikkels.
- En dan komt ook zijn schichtigheid: met sprongen schiet hij weg,
- de held uit Thebe, zelf verbaasd zo snel te kunnen rennen.
- En als hij dan zijn kop in 't water ziet, met dat gewei,
- wil hij gaan roepen: 'Help mij toch!'—helaas, hij heeft geen stem meer;
- een droef geblaat, dat is zijn stem; zijn tranen stromen langs
- een vreemd gelaat. Alleen zijn hart en ziel zijn nog als vroeger.
-
- Wat moet hij doen? Naar het paleis gaan? Zich verbergen in
- het bos? Hij schaamt zich voor het eerste, huivert voor het tweede
- en aarzelt..., tot zijn honden hem ontdekken! Zwartpoot eerst,
- díe en de slimme Speurder sloegen aan met schrille blaftoon
- —Speurder, een hond uit Knossos; Zwartpoot van Spartaanse stam—
- en toen stoof heel die meute aan, suizender dan een windvlaag:
- Slokop en Klimmer en Gazelle, drie Arcadiërs;
- Deerhunter, sterke hond; de woeste Jager, Windhoos naast hem;
- Vlieger, vervaarlijk om zijn snelheid, Snuffel om zijn neus;
- Bossaart, nog onlangs door een woedend everzwijn verwond;
- Tarzan, die afstamt van een wolf, en Herder, die de schapen
- bijeenhoudt, daarna ook Harpij, haar beide jongen naast zich
- en Windhond, slank van achterschoft, een Sicyonisch ras,
- Snelvoet en Vlek en Bas; vlak na hen Tijgerin en Bokser,
- en Blankert met een witte, Roethond met een zwarte vacht;
- Spartaan, de allersterkste; Wervel, een uitstekend renner,
- en Rappaart, en de snelle Wolfshond met haar broer uit Cyprus,
- en Rover—zwarte kop met in het midden heel opvallend
- een witte nop—en Neger; Ruighaar met zijn krullig lijf,
- daarna twee telgen van Spartaanse moeder en een vader
- uit Kreta: Quick en Wittand; Blaffer met zijn schel geluid,
- enfin, te veel om op te noemen... Heel die meute vloog dus
- belust op prooi van rots naar rots, langs ongenaakbaar steen,
- langs al wat niet of nauw'lijks pad was, in hun meesters richting.
-
- Hij vlucht. Juist daar waar hij zo vaak gejaagd had in hun spoor,
- vlucht hij nu weg voor eigen trouwe helpers. Hij wil roepen:
- 'Ik ben Actaeon! Jullie meester! Kijk dan wie ik ben!'—
- 't is smeken zonder klanken en de lucht weergalmt van blaffen.
- Zwarthaar bijt hem de eerste wonden in de rug, daarna
- slaat Killer toe, Bergloper zet zijn tanden in zijn schouder.
- Niet dat dit drietal sneller was, maar door het bergterrein
- had het de kortste weg genomen; toen het hem daar vasthield,
- kwam ook de rest, de kaken vielen op hun meester aan.
- A1 gauw is er geen plek meer om te bijten; kreunend stoot hij
- geluiden uit níet van een mens en ook niet wat een hert
- normaa1 laat horen: droef geklaag, dat die vertrouwde bergen
- vervult. Voorover, op zijn knieën richt hij nu zijn kop,
- zoals een smekeling zijn handen, woordeloos ten hemel.
- En als zo vaak hitsen zijn makkers, zich van niets bewust,
- die prooibeluste meute op. Zij kijken of Actaeon
- eraan komt, roepen steeds ‘Actaeon!’—hij, die zo dichtbij is,
- zijn kop knikt heftig bij die naam!—en vinden het maar jammer
- dat hij zo laat is en dit jachttaf'reel hem nu ontgaat.
- Hij zou graag weg zijn, maar hij ís er; graag zou hij ook toezien,
- niet voelen, hoe zijn honden wreed tekeergaan met hun vangst.
- Zij dringen om hem heen, een en al bek rukt aan dat lichaam
- dat van hun meester is, in de vermomming van een hert.
- Pas toen zijn levensgeest uit al die wonden was verdwenen,
- bekoelde ook de wrok van de jageres Diana, zag men.
Boek IV 1-145: Arachne
- Nadat Minerva deze voordrachtszangen had beluisterd,
- het Muzenlied geprezen en hun wraak gebillijkt had,
- dacht zij: 'Ik prijs nu wel een ander, maar ik wil ook zelf
- worden geëerd en laat niet straffeloos mijn macht bespotten',
- waarmee zij doelde op een slechte afloop voor Arachne
- in Lydië: die stak haar in de weefkunst naar de kroon,
- had zij gehoord. Het meisje blonk niet uit door stand of afkomst,
- wel in haar kunst. Haar vader, Idmon, was in Colophon
- wolverver; hij bewerkte natte wol met Lydisch purper;
- haar moeder, evenals haar man afkomstig uit het volk,
- was reeds gestorven. Ook al was Arachne dus in eenvoud
- geboren, en het dorp Hypaepa, waar zij woonde, klein,
- in alle steden was zij om haar vaardigheid bekend.
- Bergnimfen daalden van de wijnbegroeide Tmolus af
- om met verbazing naar haar werk te kijken; waternimfen
- lieten er even graag Pactolus' stroom voor in de steek.
- Niet slechts het zien van die bewerkte kleden was iets heerlijks,
- maar ook het maken zelf—zo'n gratie school in haar techniek,
- of ze nu eerst de ruwe strengen opwond tot een kluwen
- of vingervlug begon te kaarden en een zachte draad
- met lange einden uit die wolk van wol trok, steeds opnieuw,
- of handig met de duim de gladde spoel deed gaan, ofwel
- patronen weefde—je zou zeggen: die heeft les van Pallas!
- Maar zelf ontkent zij dat, beledigd met zo'n lerares,
- en roept: 'Ze mag zich komen meten! Als ze van mij wint,
- weiger ik niets meer...'—Pallas kleedt zich nu als oude vrouw,
- tooit zich met vals grijs haar, schraagt met een stok haar zwakke leden
- en spreekt Arachne aan: 'Niet alles van de ouderdom
- valt af te keuren, levenswijsheid komt met rijpe jaren.
- Neem dus mijn raad ter harte: hier op aarde mag je best
- de hoogste roem bereiken in de weefkunst, maar voor Pallas
- dien je te wijken. Vraag haar, sméék haar om vergiffenis
- voor je brutale woorden! Als je 't vraagt, zal zij die geven.'
- Het meisje kijkt haar dreigend aan, de draad schiet uit haar hand
- en bijna wil zij slaan, maar snauwt dan tegen Pallas, die zij
- dus niet herkent, terwijl de boosheid uit haar ogen vlamt:
- 'U bent niet wijs! Wat komt u doen, zo zwak en grijs van jaren?
- Het is niet goed zo lang te leven! Als er bij u thuis
- schoondochters zijn of dochters, houd dan daar maar van die praatjes!
- Ik maak mijn eigen plannen wel en denk niet, dat uw raad
- veel indruk maakt, u brengt mij niet op andere gedachten!
- Trouwens, waar blijft Minerva zelf Durft zij geen wedstrijd aan?'
- 'Zij is er al!' roept Pallas en zij wordt van oude vrouw
- weer een godin. Nimfen en jonge vrouwen uit die streek
- knielen voor haar verschijning; slechts Arachne toont geen huiver,
- ofschoon zij wel gebloosd heeft: even trok een rode kleur
- over haar stuurs gelaat, en was weer weg, zoals de hemel
- vaak purperkleurig wordt wanneer Aurora net ontwaakt
- om dan in korte tijd bij zonsopgang hel licht te worden.
- Zij blijft ook bij haar plan; dwaas reikend naar de hoogste eer
- snelt zij haar noodlot tegemoet. Minerva werkt niet tegen,
- waarschuwt niet verder meer en stelt de wedstrijd ook niet uit.
-
- Direct daarna dus zetten zij hun weefstoel klaar en brengen
- ieder voor zich de fijne draden aan, de schering strak
- vanaf de weversboom; een rieten stok verdeelt de draden;
- de inslagdraad, die door hun vingers glijdt, wordt erdoorheen
- gewerkt, de hele schering langs, met spitse naald, en daarna
- door 't neerslaan van de diepgetande weefkam aangedrukt.
- Zij werken snel, de rokken opgeschort tot op de knieën,
- de handen kundig bezig, en die kunst lijkt moeiteloos.
- Ze weven purperen wol, in Tyrus zelf in bronzen kuipen
- bereid, en brengen zachte, kleine kleurnuances aan-
- zoals een regenboog bij zonlicht, door een bui gebroken,
- een groot stuk van de wijdgebogen hemelkoepel kleurt
- en er wel duizend tinten glinsteren, maar waar die tinten
- veranderen van kleur, is voor geen oog te zien; zij zijn
- dicht naast elkaar elkaar gelijk, maar ver uiteen verschillend...
- Ook wordt er nog een sterke gouddraad in hun kleed gewerkt,
- waarmee een oudbekend verhaal in 't weefsel wordt getekend.
-
- Beschrijving van het weefkleed van Minerva.
-
- Pallas verbeeldt de rots van Ares, naast Athene's burcht,
- met de bekende ruzie over hoe het land moet heten.
- Twaalf goden zitten plechtig—in het midden Jupiter—
- op hun verheven zetels, elke god aan zijn verschijning
- herkenbaar Jupiters gestalte koninklijk getroond;
- Poseidon beeldt zij staande af, hij slaat zijn lange drietand
- tegen de ruwe rots en midden uit die stenen wond
- welt een zoutwaterbron—zijn inzet om de stad te winnen.
- Ze tekent ook zichzelf, met schild, met scherpgepunte lans,
- met op het hoofd haar helm, haar borst beveiligd door de aegis
- 0 en toont hoe uit de bodem, waar zij met haar lanspunt slaat,
- een grijsgekleurde boom, rijk aan olijven, groeit. De goden
- kijken bewonderend toe; Victoria bekroont het doek.
- En dan, om haar rivale 'n goede les te leren over
- de straf die zij voor haar brutale mond verwachten kan,
- weeft ze ook nog een viertal wedstrijdscènes, in vier hoeken,
- opvallend door hun heldere kleur en fijne tekening:
- de eerste hoek toont Rhodope en Haemus, thans besneeuwde
- Thracische bergen, vroeger sterfelijke wezens die
- zichzelf betiteld hadden met de hoogste godennamen;
- het droeve lot van de Pygmeeënkoningin beslaat
- de tweede hoek: ook zij verliest haar strijd en Juno laat haar
- kraanvogel worden en een vijand van haar eigen volk;
- ten derde toont zij hoe Antigone zich durft te meten
- met Juno, koningin, vrouw van de grote Jupiter,
- en in een vogel wordt veranderd; Troje noch haar vader
- Laomedon kunnen verhoeden, dat zij, blankgeveerd,
- zich steeds als ooievaar met kleppersnavel op de borst slaat;
- en in de laatste hoek de kinderloze Cinyras:
- hij kust de tempeltrap, het steen waarin zijn eigen dochters
- veranderd zijn; je ziet hoe hij daar ligt en tranen stort...
- Dan maakt zij nog een rand van vredebrengende olijven,
- haar eigen boom, waarmee ze 't werkstuk afrondt en omlijst.
-
- Beschrijving van het weefkleed van Arachne.
-
- Arachne beeldt Europa uit, bedrogen door de stiervorm
- van Jupiter—de stier lijkt echt, het zeevlak even echt;
- je ziet het meisje kijken naar het achterblijvend strand,
- roepen naar haar vriendinnen en uit angst voor 't naderend
- geweld der golven heeft ze bang haar voeten opgetrokken.
- Ook zie je een adelaar, die worstelend Asteria
- ontvoert; en Leda zie je liggen tussen zwanevleugels.
- 0 Ook laat ze zien hoe Jupiter, vermomd in saterlijf,
- Nycteus' charmante dochter van een tweeling zwanger maakt
- en hoe hij als Amphitryon Alcmene heeft verleid,
- als gouden regen Danaë, Aegina met een vuurgloed,
- Mnemosyne als herder en als een gevlekte slang
- Persephone; en hoe Neptunus als een woeste stier
- Aeolus' dochter overweldigt, en ook als riviergod
- —Enipeus' stroom—twee zoons verwekt; Theophane misleidt hij
- als ram; de blondgelokte milde moeder van het graan
- benadert hij als paard; Pegasus' moeder, de Medusa
- 20 met slangenhaar, als vogel, en Melantho als dolfijn.
- Al die figuren geeft zij eigen trekken en een eigen
- omgeving. Dan is daar Apollo, eerst vermomd als boer,
- dan draagt hij haviksvleugels, dan een leeuwehuid, of doet zich
- als herder voor bij Macars dochter Issa. Verder is
- daar Bacchus die Erigone verleidt met valse druiven,
- Saturnus die in paardgedaante Chiron, de Centaur,
- verwekt. Dan, langs de buitenranden, weeft ze smalle banen
- van bloemen, tussen speelse klimopslingers aangebracht.
-
- Zelfs Minerva is jaloers op Arachne's weefkunst; Arachne verandert in een spin.
-
- Geen Pallas, zelfs geen Vrouwe Jaloezie zou zoiets kunnen
- verdragen: boos van afgunst heeft de gouden wapenmaagd
- het kleurrijk kleed met al die godenstreken stukgereten!
- En daar ze toch haar buxushouten naald in handen had,
- priemde zij daarmee drie- of viermaal in Arachne's voorhoofd!
- Dit was het arme kind te veel: het heeft zich resoluut
- de hals gesnoerd; maar toen zij hing, kreeg Pallas medelijden,
- bevrijdde haar en zei: 'Leef voort! Maar leef wel aan een draad,
- stom kind! En spin geen hoop op later, want jouw straf geldt ook
- als vonnis voor je kinderen en heel je nageslacht',
- waarna zij haar ten afscheid met een sap van toverkruiden
- besprenkelde; direct bij 't voelen van dat pijnlijk vocht
- vielen haar lokken af verdwenen ook haar neus en oren,
- een piepklein hoofdje kreeg ze, heel haar lijf is ingekort.
- Haar smalle ledematen steken nu als sprieten uit en
- de rest is buik; toch weet zij daaruit nu nog steeds een draad
- te spinnen: net als eerst blijft zij als spin haar weefsels maken.
Boek X 1-77: Orpheus en Euridyce
- Orpheus nodigt de huwelijksgod Hymenaeus uit bij zijn huwelijk met Eurydice. Als de bruid plotseling sterft, vraagt Orpheus haar uit bet dodenrijk terug en krijgt haar ook, maar verliest haar opnieuw.
- Van Kreta vloog hij, krokusgeel gesluierd, door het luchtruim
- en haastte zich—hij, Hymenaeus, huwelijksgod—naar ‘t land
- der Thraciërs. Voor niets, helaas! Orpheus had hem geroepen
- en daarom kwam hij, maar hij liet geen plechtig bruiloftslied,
- geen vrolijke gezichten toe, geen enkel voorspoedteken
- en zelfs de fakkel die hij droeg deed niets dan sissen met
- veel rook, tot tranen toe; zwaaien hielp niets, hij wou niet vlammen—
- een droevig teken met nog droever afloop. Want terwijl
- de jonge bruid zich met haar nimfenschaar in 't gras vermeide,
- liep ze een gifbeet van een slang op, in haar hiel, en stierf.
-
- De zanger van het Thracisch bergland heeft eerst tot de goden
- geklaagd; toen, om ook hulp te zoeken in het dodenrijk,
- waagde hij zich bij Taenarum de poort door, naar de Styx
- en liep tussen de lichaamloze langbegraven schimmen
- tot vóór Persephone met naast haar de gebieder over
- het somber rijk des doods. Zich begeleidend op zijn lier
- zong hij hen toe: “Ach, goden van de onderaardse wereld,
- waar iedereen die sterflijk is zijn eindbestemming vindt—
- als u mij toestaat zonder omhaal en vertoon van woorden
- waarheid te spreken... Nee, ik ben hier niet gekomen om
- de donkere Tartarus te zien, niet om de drie behaarde
- slangehondkoppen van de Cerberus te ketenen;
- mijn komst betreft mijn vrouw: nadat zij op een slang getrapt had,
- beet deze haar zijn gif in en ontnam haar levensbloei.
- Ik wilde wel berusten, ik verzeker u, ik wil het,
- maar Amor wint. Op aarde is die godheid goed bekend,
- misschien hier ook? Ik weet het niet, maar ik vermoed van wel,
- want als het oud verhaal over uw schaking niet bedacht is,
- bracht Amor ook u beiden samen... Bij dit oord vol angsten,
- bij deze immense leegte, bij de stilten van dit rijk,
- ik smeek u: wil Eurydice's te vroege dood herroepen!
- Wij mensen staan al alles aan u af en vroeg of laat
- komen wij na een kort bestaan naar deze ene woonplaats
- en komen allemáál. Dit is ons laatste huis, en u
- voert hier de langste heerschappij over de stervelingen.
- Ook zíj komt in uw macht, wanneer zij daarvoor rijp is en
- haar tijd voorbij. Ik vraag u geen geschenk, het is een lening...
- En gunt de dood mijn vrouw geen uitstel, weet dan dat ook ik
- hier niet vandaan ga, nee, dan kunt u blij zijn met twéé doden.”
-
- Tijdens die woorden en zijn begeleidend snarenspel
- snikten de bloedeloze schimmen; Tantalus greep even
- geen wijkend water meer, Ixions rad stond als verlamd,
- geen gier die trek in lever had, de Danaïden lieten
- hun urnen staan en Sisyphus ging op zijn rotsblok zitten.
- Men zegt dat zelfs de Wraakgodinnen, door dit lied geroerd,
- voor 't eerst betraande wangen kregen. Zij, de heerseres,
- noch hij die in de Hades heerst kon doof zijn voor zijn klagen:
- Eurydice mocht komen! Zij bevond zich bij de jongste
- gestorvenen en door de wond kon ze nog niet snel lopen...
- De zanger van Rhodope kreeg haar mee, maar moest beloven
- zijn blik niet om te wenden vóór hij het Avernusdal
- ontstegen was, want anders werd de gunst tenietgedaan.
-
- Er loopt een pad naar boven tussen diepzwijgende stilten,
- vrij steil en duister en in dikke nevelmist gehuld.
- Zij waren niet zover meer van de rand dicht bij de aarde.
- Bang dat ze achterbleef of uit verlangen haar te zien
- keek hij in liefde om. Direct is zij omlaaggevallen,
- de armen wijd gestrekt, reikend naar houvast of naar hulp,
- maar ach, de ongelukkige greep niets dan ijle nevel.
- Ten tweede male stervend maakte zij haar echtgenoot
- toch geen verwijt—kon ze verwijten, dat hij haar zo liefhad?
- Het laatste wat zij riep, vaarwel, kon hij al nauw'lijks meer
- verstaan. Ze is weer teruggegleden in dezelfde diepte.
- Orpheus ontroostbaar.
- Orpheus, verbijsterd door haar tweede dood, was als de man
- die tot zijn schrik drie koppen van de hellehond zag langsgaan
- —de middelste geketend—en zijn angst pas kwijt was, toen
- hij ook zichzelf verloor, doordat zijn lichaam was versteend;
- of ook als Olenus en zijn onzalige Lethaea,
- die zó haar eigen schoonheid prees, dat hij zich schuldig voelde
- of wilde voelen en dat beiden, eens zo hecht vereend,
- werden versteend tot rotsen op de regenrijke Ida.
- Weer trachtte hij al klagend af te dalen, maar vergeefs:
- de veerman wees hem af. Hij bleef daar zeven dagen zitten,
- vervuild, zonder te eten, aan de oever van de Styx;
- tranen, gezucht en diep verdriet waren zijn voedsel. Daarna,
- met luid verwijt dat Hadesgoden wreed zijn, trok hij zich
- in 't Thracisch hooggebergte terug, waar noordenwinden gieren.
-
- Reeds driemaal had de zon het jaar beëindigd bij
- het vochtig Vissenteken en nog steeds meed Orpheus ieder
- contact met Venus—of omdat het hem slecht was vergaan
- ofwel uit trouw. Veel vrouwen voelden liefde voor de zanger,
- maar al die vele vrouwen treurden in verstotenheid.
- Zo werd hij zelfs in Thracië een voorbeeld om de liefde
- met jonge jongens te bedrijven en hun prille bloei
- en korte lentetijd te plukken vóór zij mannen worden.
- Orpheus betovert bomen en dieren met zijn lierspel.
- Er lag een heuvelrand, waarboven een wijduitgestrekt
- plateau verrees, een groenbegroeide, plantenrijke vlakte.
- Nergens een schaduwplek. Maar toen hij zich had neergezet,
- die goddelijk geboren zanger, en zijn lier liet klinken,
- viel toch een schaduw langs de grond: Dodona's boom, en ginds
- de bomengroep der Heliaden en een hooggekruinde
- bergeik; ook slanke linden en een beuk; Daphne's laurier
- en tere hazelaars; een esseboom, bruikbaar voor speren;
- een gladde den; een steeneik onder eikelvracht gebukt;
- een nobele plataan en een ahorn met bonte kleuren
- en van de waterkant knotwilgen en een lotusboom;
- een eeuwiggroene buxusboom, hoogslanke tamarisken;
- een mirteboom, groenzwart, een bessenblauwe sneeuwbalstruik;
- zelfs slingerende klimop kwam erheen, zelfs trossenzware
- wijnstokken kwamen; olmen, ook met wijnstokrank omgroeid;
- bergessen, sparren en een wilde aardbeistruik, beladen
- met rode vruchtjes; statig ook een palm, die winnaarsprijs,
- en met hoogopgestoken loof en ruig van kruin een pijnboom,
- lievelingsboom van Cybele, de godenmoeder, daar
- haar lieve Attis in dat houten lichaam was veranderd.
Boek X 243-297: Pygmalion
- Omdat Pygmalion die vrouwen jarenlang in zonde
- had zien verkeren en een afkeer voelde van het kwaad
- dat de natuur zo ruimschoots in de vrouwenziel gelegd heeft,
- bleef hij steeds vrijgezel en vrouwloos en zijn bed was eenzaam.
- Maar ondertussen maakt hij wel met schitterend vakmanschap
- een wit ivoren beeld, geeft het een schoonheid die geen vrouw
- van huis uit ooit bezit en wordt verliefd op eigen werkstuk.
- het lijkt een echte jonge vrouw, je zou geloven dat
- zij leeft en, als fatsoen dat toestond, graag bemind wil worden
- -zozeer gaat kunst in eigen kunde schuil. Pygmalion
- bewondert haar, hij brandt van hartstocht voor dit namaaklichaam.
- Steeds voelt hij met zijn vingers aan het beeld, of het ivoor
- of lichaam is en maakt zich wijs, dat dit toch geen ivoor is...
- Hij kust haar, proeft haar kussen—denkt hij—, spreekt tot haar en houdt
- haar in zijn armen, voelt zijn vingers in haar lichaam drukken
- en is zelfs bang voor blauwe plekken waar hij haar omarmt.
- Hij vleit haar met verliefde woorden, geeft cadeautjes waar
- meisjes verzot op zijn: schelpen of stenen, gladgevormd,
- tamme parkietjes, bloemenkransen met wel duizend kleuren,
- lelies, geverfde knikkers, barnsteenkralen—tranen van
- de Heliadenbomen—, daarna tooit hij haar met kleren,
- doet ringen om haar vingers, lange snoeren om haar hals,
- haar oren krijgen lichte parelhangers, ook haar borsten
- zijn rijk behangen. Alles siert haar, ook al is zij mooi
- zonder dat al. Hij legt haar op een roodgespreide divan,
- noemt haar zijn bedvriendin en doet haar zachtjes met haar hals
- in veren kussens leunen, denkend dat zij dat kan voelen!
-
- Het feest van Venus, overal op Cyprus hoogtijdag,
- was aangebroken. Jonge koeien met vergulde horens
- vielen ten offer aan de slagen in hun blanke nek
- en wierook geurde op. Pygmalion bleef na het offer
- bij 't altaar staan en sprak een stille wens: “O goden, als
- u alles geven kunt, geef mij een vrouw...” hij had de moed niet
- “die van ivoor” te zeggen, wel “die lijkt op mijn ivoren...”
- De gouden Venus, zelf aanwezig bij haar feest, begreep
- wat deze wens beduidde: driemaal schoot de vlam hoog op
- en blies een vuurtong in de lucht, ten teken van genade.
-
- Zodra hij thuiskomt, haast hij zich naar zijn geliefde beeld,
- nestelt zich naast haar, kust haar mond. Zij lijkt erdoor te smelten,
- hij kust haar weer, raakt met een vingertop haar borsten aan:
- het aangeraakt ivoor wordt week, de kilte lijkt verdwenen,
- het voegt zich naar zijn druk, is soepel, zoals bijenwas
- van de Hymettus zacht wordt door de zon en zich laat drukken
- tot vele vormen en juist door het kneden kneedbaar wordt.
- Terwijl hij eerst verbijsterd nog geen vreugde toelaat, bang voor
- bedrog, streelt hij verliefd steeds weer, steeds meer dat lieve beeld
- en streelt een vrouw: zijn tasten doet haar bloed veel sneller stromen!
- Dan spreekt Pygmalion, de held van Paphos, woorden uit
- waarmee hij Venus dankt, diep uit zijn hart, en drukt zijn lippen
- op lippen die niet meer onecht zijn en het meisje heeft
- zijn kus gevoeld, begint te gloeien, slaat haar ogen schuchter
- naar 't daglicht op en kijkt op dat moment haar minnaar aan.
-
- Het huwelijk, eerst door Venus voorbereid, ontving haar zegen,
- negenmaal had de maan haar sikkel tot een schijf gevuld,
- toen Paphos werd geboren, en het eiland draagt die naam nog.
- Orpheus, die na Eurydice's dood geen aandacht meer aan vrouwen schenkt, wordt door Bacchanten verscheurd.
- Terwijl de dichter dus in Thracië met zulke zangen
- dieren, geboomte en zelfs rotsen in zijn voetspoor lokt,
- gebeurt er dit: Ciconisch vrouwvolk, in Bacchantenstemming,
- gehuld in dierevellen, krijgt vanaf een heuveltop
- een man in 't oog die verzen voegt bij citerklanken: Orpheus.
- Eén van de vrouwen schudt haar lokken in de wind en roept:
- 'Kijk daar! Daar heb je onze vrouwenhater!' en ze slingert
- haar thyrsus naar dat zingend Apollinisch dichtershoofd,
- raakt het, maar wondt het niet, omdat de tak dik is bebladerd.
- Een ander smijt een steen naar hem, maar die wordt in de lucht
- door harmonie van stem en snaren in zijn vaart geremd
- en valt vlak voor zijn voeten neer, als smeekt hij om genade
- voor zulk een dwaze aanval. Niettemin neemt het baldadig
- geweld nog toe en kent geen maat meer; waanzin heerst en wraak...
- Nu zouden al die andere stenen ook wel zijn gezwicht voor
- zijn zingen, maar het luid gekrijs, het handgeklap, de klank
- van kromgebogen toeters, van timpaan en Bacchuskreten
- hebben zijn citerzang gedempt, en toen de dichtersstem
- niet meer te horen was, heeft steen na steen zijn bloed gedronken.
- Dan stort zich heel die troep op Orpheus' luisterrijk gehoor,
- verscheurt dat weids publiek van vogels, slangen, wilde dieren,
- ontelbaar vele, steeds nog door die dichterszang geboeid;
- vervolgens gaan ze af op Orpheus zelf, bloed aan hun handen,
- ze dringen om hem heen als vogels die bij ochtendlicht
- een nachtuil rond zien vlerken; of zoals wanneer in 't Circus
- een hert reeds in de vroege uren prooi van honden wordt
- en weet dat het gaat sterven... Met hun klimopgroene thyrsus,
- bepaald niet voor dit doel bestemd, slaan ze de dichter neer,
- gooien met kluiten, sommigen met afgerukte takken,
- met brokken steen. Hun razernij vindt materiaal genoeg,
- omdat die akker daar juist werd bewerkt met ploeg en ossen
- en dicht daarbij gespierde boeren bezig waren met
- hun zaaigrond en hard zwoegend in de vaste bodem hakten;
- maar bij het zien van die Maenaden had men in paniek
- de spullen in de steek gelaten; harken en houwelen,
- schoffels met lange stelen liggen links en rechts in 't veld.
- De wilde bende pakt ze mee, scheurt zelfs de woestgehoornde
- ossen uiteen, haast zich dan terug naar 's dichters ondergang
- en hoe hij ook de armen strekt en vruchteloze woorden—
- toen voor het eerst!—laat klinken met een stem die niet ontroert,
- ze doden hem, de heiligschensters, en helaas, zijn adem
- is door die dichtersmond, die zelfs door stenen werd verstaan,
- die spreekbuis was voor wilde dieren, op de wind vervlogen.
- De vogelwereld treurde om Orpheus, diepbedroefd; ook treurden
- de wilde dieren, koude rotsen, bossen die zo dikwijls
- door 't zingen waren rneegelokt; met afgevallen loof
- stond menig kale boom in rouw; hele rivieren—zegt men—
- zwollen door eigen tranenstroom, en bos- en waternimf
- droegen loshangende haar en zwartomzoomde linnen waden.
- Wonderbaarlijke gebeurtenissen met Orpheus' hoofd en lier; Orpheus' ziel komt in de onderwereld.
- Zijn lichaam ligt verspreid in stukken: hoofd en lier zijn door
- de Hebrus meegevoerd; daar drijvend, midden op het water,
- —'t is wonderbaarlijk—klaagt de lier nog droevig; droevig ook
- fluistert zijn dode mond; droevig het antwoord van de oevers.
- Dan, als de stroom het land verlaat, drijven zij voort op zee
- tot zij de kust van Lesbos, waar Methymna ligt, bereiken.
- Terwijl het hoofd daar op het verre strand ligt en het haar
- nog druipt van water, wil een valse slang het overvallen,
- maar dan, ten slotte, helpt Apollo: als het ondier toehapt,
- weert hij het af, de wijde slangebek doet hij verstijven
- tot steen, zodat voorgoed de kaken open blijven staan.
- Zijn ziel daalt onder aarde. Alles wat hij daar al eerder
- gezien had, kent hij terug. Rondspeurend naar Eurydice
- treft hij haar aan in de Elysese velden en vol liefde
- omhelst hij haar. Sindsdien zijn zij daar samen, zij aan zij
- of één voorop en één die volgt—dan is het dikwijls Orpheus
- die omkijkt, maar nu zonder angst, naar zijn Eurydice.
- De Bacchanten die Orpheus hebben verscheurd worden gestraft en veranderen in bomen.
Boek XII 39-52: Het woonoord van Vrouw Fama
- Er is een plek die in het midden ligt van zee en aarde
- en hemelbanen—grenspunt van een driegedeeld heelal.
- Vandaar wordt alles opgemerkt, hoe ver, hoe afgelegen
- dan ook, en holle oorgewelven vangen elk geluid.
- Vrouw Fama heerst er in een woonkasteel,
- met talloos vele openingen en
- duizenden poortingangen, nooit met deuren afgesloten:
- het huis is dag en nacht geopend en geheel van brons
- dat echoot; alom klinkt het en weerklinkt het en verklankt het
- wat het maar hoort. Nooit is er stilte binnen, nergens rust.
- Toch heerst er geen lawaai, 't is meer geruis van fluisterstemmen,
- zoals een golvenzee kan klinken, als je die van ver
- beluistert, of zoals de nagalm van een verre donder
- wanneer door Jupiter met donkere wolken wordt gedreund.
Boek XIII 779-788: Het lied van de Cycloop
- Er stak een klif, wigvormig, met een langgerekte punt
- in zee, aan elke kant omspoeld door golven. De Cycloop,
- de woesteling, klom daar omhoog, zette zich erop neer,
- niet lettend op zijn wollen schapen die hun meester volgden;
- hij liet de boomstam, die hij bij zich had als stok en die
- een goede mast leek voor een zeilschip, aan zijn voeten rusten
- en greep zijn rietfluit, uit wel honderd stengels saamgevoegd,
- waarna de hele bergstreek van zijn herderlijke fluitzang
- genieten kon, en ook de zee. Hij zong het volgend lied:
Boek XIII 949-963: Metamorphose van mens tot de zeegod Glaucus
- Diep verlangen naar 'n ander element, naar water, greep mij aan.
- Ik kon niet langer blijven staan, en dook diep in de golven weg.
- De goden van de zee namen mij op in hun gezelschap.
- Ik werd gereinigd: nadat een negenmaal herhaalde spreuk mij van mijn mens-zijn
- verschoond had, kreeg ik opdracht mij in honderd waterstromen
- te wassen, en terstond al vloeiden er van overal
- rivieren, die mij met een hele stortvloed overdekten...
- Toen voor het eerst zag ik mijn zeewiergroene baard en al
- dit haar, dat ik ver over de zee laat slepen, en ik zag
- mijn reuzenschouders en mijn zilverblauwe armen en
- mijn voeten omgebogen tot een vissestaart met vinnen.
- --oOo-- -