De wolken
- Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag
- Lang-uit met moeder in de warme hei,
- De wolken schoven boven ons voorbij
- En moeder vroeg wat 'k in de wolken zag.
-
- En ik riep: Scandinavië, en: eenden,
- Daar gaat een dame, schapen met een herder—
- De wond'ren werden woord en dreven verder,
- Maar 'k zag dat moeder met een glimlach weende.
-
- Toen kwam de tijd dat 'k niet naar boven keek,
- Ofschoon de hemel vol van wolken hing,
- Ik greep niet naar de vlucht van 't vreemde ding
- Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.
-
- —Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
- En wijst me wat hij in de wolken ziet,
- Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
- De verre wolken waarom moeder schreide.—
- --oOo-- -